is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij hem gezonden heeft om het evangelie te verkondigen. Had Paulus zóó kunnen spreken, indien hij geweten had, indien 't bij alle christenen als een onbetwistbaar feit had vastgestaan, dat Jezus zelf zijn apostelen wèl belast had met de taak der doopbediening ? Zou hij aan de twaalve niet op scherpen toon hunne ontrouw hebben verweten, indien hij geweten had, dat de Heer ze wél uitgezonden had om alle volken, ook de heidenen te doopen, en zij zich nogtans tot «de besnijdenis" hadden bepaald? Dat Jezus zelf den doop zou hebben ingesteld, het stilzwijgen van nagenoeg geheel het N. Testament dienaangaande staat tegenover een tweetal bijbelplaatsen van zeer betwistbare bewijskracht.... Kan zulk een stilzwijgen toevallig zijn?

Hoe en wanneer is de doop dan toch ontstaali ? Te Jeruzalem misschien, reeds zeer spoedig na de vestiging der eerste christengemeente aldaar? Of eerst geruimen tijd later, en buiten Jeruzalem? Met genoegen zullen velen zich wellicht nog een opstel van den heer J. H. Kremer te Aardswoud herinneren, handelende over den oorsprong van den doop in de christelijke kerk, en onlangs in het Theologisch Tijdschrift, 1869, jaarg. 3, bl. 19 volgg. geplaatst. Het gevoelen, of laat mij liever zeggen de vernuftige gissing, door den heer Kremer in dat opstel voorgedragen, schijnt zeer aannemelijk. Althans, zij is een nadere toetsing wel waard. Hoofdzakelijk komt zij op het volgende neer.

De doop, zegt de heer Kremer, is niet herkomstig