is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

melding maken van een bezwaar tegen mijn gevoelen, dat gewichtiger dan elk ander schijnt. Niet zonder blijkbare overdrijving noemt de heer Kremer het zóó groot, dat hij 't schier onmogelijk acht het ontstaan van den doop reeds in de eerste jeruzalemsche gemeente te plaatsen , en tevens met de oude voorstelling te breken , dat Jezus, opgestaan uit het graf, zelf den doop heeft verordend. Wat zullen wij, zóó vraagt hij, van de eerste jongeren van Jezus denken ? Zij waren niet door Jezus gedoopt: toch vonden ze goed de doopplechtigheid in te voeren. Lieten zij nu anderen een plechtigheid ondergaan aan hen zelf niet voltrokken ? of, onderwierpen ook zij er zich nog aan na Jezus dood ? Het eerste is onwaarschijnlijk, het tweede is ongerijmd! — Inderdaad, een lastige bedenking ! Zullen we ons er van afmaken met een: Wij weten 't niet ? Maar ongerijmd is toch het vermoeden niet, straks reeds door ons geopperd, dat velen van Jezus eerste leerlingen, sommigen zijner apostelen misschien, en een groot deel zijner overige aanhangers, eertijds den doop van Johannes hadden ontvangen. Wellicht hebben ze dezen later volkomen voldoende geacht. Met nog meer recht mogen we aangaande de apostelen iets anders onderstellen. Zij hadden 't voorrecht genoten van met Jezus te mogen omgaan. Ze hadden in zijn vriendschap en vertrouwen gedeeld, en voelden zich gereinigd en geheiligd door zijn woord. Dientengevolge merkten zij zich zelf reeds als burgers van zijn koningrijk aan. Ze achtten, zeer terecht! den doop ter inlijving in zijne gemeente en ter afwassching van zonden