is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om voor kinderen te schrijven worden er eigenaardige gaven des gemoeds zoowel als des verstands gevorderd. Hoekstra bezat beiden in geen gewone mate. Hij behoorde tot die soort van boomen, die zulke lettervruchten natuurlijk voortbrengen. Hij was een echte kindervriend. Daarom wijdde hij zijne vrije uren bij voorkeur aan het bewerken van boekjes voor de jeugd, terwijl het hem geenszins aan kunde en bekwaamheid ontbrak, tuige andere door hem uitgegeven geschriften, (!) om bij het volwassen publiek lof en dank in te oogsten. Hoe innig zijne liefde tot kinderen , inzonderheid die zijner gemeente was, en hoe deze genegenheid hem tot den einde toeonverkoeld bijbleef, daarvan levert o. a. de dankrede, die hij bij gelegenheid zijner vervulde vijftigjarige Evangeliebediening uitsprak, een treffend bewijs op. Aan 't slot er van komen deze aandoenlijke regelen voor:

//Gij, eindelijk, mijne jonge en jeugdige leerlingen, hoop der gemeente! Zoude ik vergeten u bij deze gelegenheid toe te spreken! Neen, daartoe heb ik altoos te veel belang gesteld in de vorming van uwe teedere harten tot heiligheid en deugd; daartoe hebt gij te vlijtig van mijn onderwijs gebruik gemaakt, gelijk de vaders en de moeders van de meesten uwer, die op dezelfde jaren, waarin gij nu zijt, insgelijks aan mijne leiding waren toevertrouwd. Uwe leergrage en oplettende

(1.) Behalve de straks reeds aangehaalde Lijkrede op II, Oosterbaan en Dankrede, herinneren wij zijne Kerkelijke Redevoeringen en Godsdienstige Vertoogen, en vooral de door hem, uit de nalatenschap van zijnen hoog door hem vereerden vriend IIijlke Hanekuik , voor den druk bewerkte, uitvoerige en nog altijd lezenswaardige Verhandelingen over de waarheid van den Christelijken Godsdienst en over de voortreffelijkheid der Christelijke zedeleer.