is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1943, 01-01-1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de hoogst opgewassen schorren, te omringen met dijken die zeker nog "wel vrij zwakke afmetingen gehad zullen hebben, omdat de vloeden „binnengaats iets minder hoog stegen dan nu, maar ook omdat die „dijken in 't algemeen nog uitgebreide voorlanden voor zich hadden. ;;0p veel plaatsen heeft men eerst „opwassen" bedijkt, d.z. midden in „het water opgekomen gronden, door geulen van andere gescheiden, „zoodat de aldus gevormde polder als een eilandje in het water lag. „Daartegen dijkte men dan „aanwassen", d.z. de buiten tegen den dijk „aangegroeide schorren, in of ook wel andere opwassen, met overdij^king van de scheidende geul, zoodat de waterkeeringen tegen die van „den reeds bedijkten grond aansloten. Zoo voortgaande werden verschillende polders of groepen van polders aaneengedijkt, nl. als de stroom of kreek die ze vaneen scheidde daartoe voldoende was toebeslikt. De overblijfselen van in- en overgedijkte geulen, kreken, enz., „vindt men nog binnendijks terug, zoowel als breede wateren en smalle „vlieten, als — wanneer zij dichtgegroeid of door aandamming tot land „gemaakt zijn — als laagten of ook als laag gelegen wegen, die het „verkeer dat vroeger te water plaats had nu te land dienen. Op deze ',,wijze zijn de grootere en kleinere eilanden gevormd en door aaneensluiting, zelfs nog in de laatste eeuwen, tot eenige weinige teruggebracht."

Voornoemde theorie lijkt in het algemeen wel aanvaardbaar, v oorbeelden uit historischen tijd, waarvan de geschreven berichten bewaard zijn gebleven, geven een dergelijke ontwikkeling te zien. Zoo b.v. de groei van Voorne, Goeree en Overflakkee, het samengroeien van Schouwen en Duiveland. Op genoemde eilanden vindt men echter nog overal de oude zeedijken in het binnenland terug. Dit is in de oude kernlanden van Walcheren, Schouwen en Zuidbeveland niet het geval. Beekman veronderstelt dat men vroeger de gewoonte had de dijken die door vóórbedijking droog waren geworden, af te graven. Omstreeks 1300 zou hieraan volgens hem een einde zijn gekomen, zoodat men de dijken die na dien tijd zijn gemaakt, nog gemakkelijk terug kan vinden.

Ondanks nauwkeurig terreinonderzoek was op Walcheren geen spoor van een drogen dijk, ouder dan 1300» te ontdekken. Op Schouwen bestaat als zoodanig alleen de Meeldijk, op Zuidbeveland de Monnikendijk. Zooals later zal blijken 4) zijn deze echter niet als oude ringdijken van afzonderlijk aan- of ingedijkte polders te beschouwen. M.i. is er daarom reden aan de juistheid van Beekman s opvatting te twijfelen.

Wat Walcheren betreft, zoekt men niet alleen de dijken, doch ook de voormalige geulen, die na de indijking als laagten zichtbaar hadden moeten blijven, tevergeefs. Beekman ziet ze in de vele kronkelende sprmken en watergangen, die het eiland doorsnijden. Wanneer hij gelijk had, zou het uit de bodemgesteldheid moeten blijken; dit is echter niet het geval.

Daar alle genoemde theorieën naar analogie van bestaande of bekende toestanden in de studeerkamer werden opgesteld, werd het

4) Zie hierna pag. 59 en 72/4.