is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1943, 01-01-1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

warmer en vochtiger was dan het tegenwoordige. In Holland ging de groei gedurende het subboreaal en het subatlanticum nog door, zoodat het veen daar als cultuurlaag direct aan de oppervlakte voorkomt. Zoowel in het Noorden: Groningen, Friesland en Holland's Noorderkwartier, als in het Zuiden: de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden, werd de groei tot stilstand gebracht door het binnendringen van de Noordzee, waardoor het veen op sommige plaatsen werd vernield, elders door een laag jonge zeeklei overdekt (I 10 K).

^ I er verklaring van de afwisselende marine en terrestrische lagen zijn, als reeds in den aanhef van dit hoofdstuk in het kort werd medegedeeld, verschillende theorieën opgesteld, t.w. die van de bodembewegingen van Schütte en Wildvang, de tectonische van Blaupot ten Cate en Stevens en de theorie betreffende de doorbraak van het Kanaal van Tesch. Daarbij werd aan de normale hydrologische wetten weinig aandacht besteed, hoewel toch verwacht mag worden dat zij in een kustgebied van groote beteekenis zullen zijn. Kleine veranderingen in het getijregime en in het zandtransport vóór de kust zullen grooten invloed op de kuststrook kunnen uitoefenen. Deze toch wordt beschermd door een strandwal, die weliswaar in de basis een breedte van enkele tientallen kilometers bereikt, doch van boven op verschillende plaatsen betrekkelijk smal is en daar openingen, ter doorlating zoowel van rivier- als van eb- en vloedwater, vertoont. Deze gaten ontstaan, groeien en verworden en slaan uiteindelijk weer dicht — althans wanneer de mensch niet ingrijpt. Waren in een bepaalde periode, b.v. ten gevolge van veel zandaanvoer langs de kust, de zeegaten klein, dan kon het achter den strandwal liggende haf verzoeten, en kon veel veen ontstaan. Het is mogelijk dat er zulk een tijd met overvloedigen zandtoevoer is geweest door kustafslag in de buurt van de Vlaamsche banken, en dat toen het jonge veen is ontstaan dat, naar men algemeen aanneemt, in het Westen van ons land een doorloopende laag heeft gevormd.

Overigens zal men echter bij een strandwalkust als de onze steeds rekening dienen te houden met, wat tijd en plaats betreft, min of meer rhythmische doorbraken. Gesteld b.v. dat op een bepaald oogenblik de gaten A, B en C bestaan (fig. i), dan zal na verloop van voldoenden tijd, nemen wij aan een iooo a 2000 jaar, de zg. binnendelta zoodanig zijn opgehoogd met zand en klei, dat de zeegaten afsterven 7). Op de plaatsen E of F, tusschen de delta's gelegen, blijven dan laagten over, omdat tengevolge van getijverschil, versterkt door de positieve niveauverandering — verondersteld ten minste dat deze onafgebroken doorging — de delta's tot een hooger niveau konden opslibben. Door die hoogere ligging bleven ze voorloopig voor nieuwe overstroomingen

7) Men vergelijke wat de Amerikaan J. B. Lucke hierover mededeelt betreffende de kust van New Yersey in Shore and Beach, Tournal of the American bhore and Beach Preservation Association, April 1934, Hoofdstuk VI. Weliswaar betrekt hij zijn beschrijving alleen op een rijzende kust. De gesteldheid van onze kust wijst echter uit, dat deze grondprincipes ook van toepassing zijn bij een dalende kust en een rij zenden zeespiegel.