is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1943, 01-01-1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delven, veenderij) in het natuurlijk profiel kan hebben veroorzaakt. Het verschil met de veenlooze ruggen is echter niet mis te verstaan ; hier een duidelijk waarneembare regelmaat der verschijnselen, daar het vlak naast elkaar voorkomen van veenhoudende en veenlooze punten. Ook de groote oneffenheid van de weilanden wordt soms aan de gevolgen van het moeren (= vervenen) toegeschreven. Daarnaast wijt men dit verschijnsel wel aan de wijze van vorming van het kleidek. Men ziet er de oude schorgronden nog in, die in het algemeen ook een verre van effen oppervlak vertoonen, „het land zou er nog net zoo liggen als het gevormd werd". Dat intusschen de moernering vooral in de middeleeuwen een grooten invloed op het land moet hebben gehad moge uit het volgende duidelijk worden.

Zeeland is van oudsher arm aan hout als natuurlijke brandstof. Voor verwarming maakte men daarom al vroeg gebruik van turf, gestoken uit de zg. derrie. Daarnaast werd de „darinck" gebruikt bij de zoutbereiding, het zg. „selbernen". Bevreesd voor de groote gevaren, aan het turfsteken verbonden indien het te dicht bij de zeeweringen plaats vond, ging men in de 15e eeuw reeds tot beperking daarvan over11). In 1477 verbood Maria van Bourgondië bij het Groot Privilegie het moeren voor zoutbereiding geheel (148: II, 6 § 8). Bij keur van 1495 (72: 232) werd nog bepaald dat niemand mag „darynck delven noch doen delfven binnensdijcx omme te vercoopene, maer alleenlick om zijns zelfs berninghe uytdelfven ten minsten quetse van den lande . In 1515 (72: 253) wordt het nogmaals geheel verboden, doch volgens latere stukken (o.a. Verklaringen van de keurschepenen van diverse dorpen ten verzoeke van de „dernnckslagers van den geheele eylande van Walcheren" in 1540 (199: 1737) is het voor eigen gebruik weer toegelaten. In 1599 werd echter vastgesteld, dat het land na het uitmoeren weer in zijn oorspronkelijken staat moest worden teruggebracht (174: 459 f. 375) ; „alsoo tvoorsz. eylandt (Walcheren) in voorleden tijden seer bedorven ende nu daegelicx soo meer ende meer duer tdelven van den derrinck bedorven werdt uyt redene dat deghene, dye derrinck delven, soo onghereghelt daerinne procederen, dattet landt, daer sij derrinck uyt delven, dickwils ommers den meesten deel quaede weye ende by somwylen nauwelick weye en blijft, twelck comt duerdyen dat alle derrinckdelvers de koorenaerde werpen onder in den grondt, daer den derrinck gelegen heeft, daertoe tselve landt laeten liggen vol putten ende poelen, hyer hooge daer laege, ongeëffent, daer tselve, indyen de koorenaerde over geschoten ende geeff,ent waere, altijt blyve soude tenminste goede weye ende somtijts goet, ja beter zaylandt, dan tselve tevooren was". Er werd daarom bepaald, dat uitgemoerd land binnen twee jaar geëffend moest zijn en de korenaarde er over uitgeschoten, op straffe van 20 schell. 4 grooten, te voldoen aan den dijkgraaf en den gecommitteerde van de Staten van Walcheren. Bij het verbod van 1515 werd in het tekort

11) De ondergang van de Zuidhollandsche waard wordt hieraan mede geweten. 6