is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moge — het volledig bewijs ontbreekt, dat de expeditie op verzoek en dus voor en namens geintimeerde geschied is; wordende te dien opzichte naar het in eersten aanleg aangevoerde verwezen, en wijders voor antwoord in appel geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring immers en in elk geval ontzegging van den in hooger beroep gedauen eisch en genomen conclusiën en bevestiging van het vonnis a quo cuin expensis;

O. dat partijen daarna hare sustenuen nog mondeling bij pleidooi hebben toegelicht en vervolgens de uitspraak bepaald is op heden;

Ten aanzien van het recht,

O. in de eerste plaats wat betreft het door den geintimeerde voorgebrachte middel van niet ontvankelijkheid van het appel daarop gegrond, dat de appellant èn blijkens zijne conclusie van eisch in appel èn blijkens de adstructie daarvan geene grieven heeft voorgebracht tegen het interlocutoir vonnis, waarbij door den rechter een suppletoire eed aan den gedaagde is opgelegd en waarvan is geappelleerd, doch tegen een eindvonnis dat niet gewezen is;

dat dit middel niet kan opgaan; dat toch blijkens de dagvaarding van appel de vordering in appel strekt „dat het Hof „zal vernietigen het vonnis waarvan appel en dat het doende „wat de eerste rechter had bekooren te doen den eischer, thans „appellant, zijne in eersten aanleg gedane vordering en genomene „conclusiën zal toewijzen met veroordeeling van den gedaagde, „thans geintimeerde, in de kosten", en deze conclusie geheel gericht is tegen het vonnis waarvan appel, terwijl ook de grieven tot adstructie daarvan aangevoerd den rechter, bijaldien hij ze aanneemt, zullen moeten leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan geappelleerd is omdat alsdan de vordering volkomen bewezen zoude zijn en mitsdien het opleggen van den suppletoiren eed aan den gedaagde geen zin zoude hebben;

O. dat almede door den geintimeerde is opgeworpen de exceptie van niet ontvankelijkheid der vordering omdat de eischer het onderwerp van zijnen eisch zoude hebben veranderd (art. 112 B. Rv.) daar hij blijkens de dagvaarding uit het commissiecontract (art. 76 Kh.) zoude geageerd hebben en later ex negotiorum gestione;