is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat een verhoor van deskundigen ter nadere bepaling der gedorven winst doelloos en niet afdoende zou zijn;

Wat liet recht betreft:

O. dat voor de beoordeeling van de over- en weder gevoerde sustenuen allereerst in aanmerking komt de vraag, welke zin en strekking aan de voornoemde op den 5 Mei 1873 namens het Departement van Marine in Nederlandsch-Indië met den auteur der appellanten te Riouw gesloten overeenkomst, waarvan de inhoud tusschen partijen in confesso is, moet toegekend worden;

O. dat de Raad zich ten deze vereenigt met de zienswijze van het Hof, waar — uit de wijze, waarop die overeenkomst tot stand is gekomen, de omstandigheid dat er destijds geen andere overeenkomst blijkt geweest te zijn tot voorziening in de behoeften van de aanzienlijke vloot, die de kort daarop aangekondigde blokkade van de kusten van Atjeh zou handhaven, het opschrift zelf dier overeenkomst, dat geen nadere bepaling inhield, de aard van de daarbij opgedragen leveringen en de uit art. 4 voortvloeiende verplichting om steeds aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen en slachtbeesten in voorraad te hebben, in verband ook met het feit dat onmiddellijk na het sluiten der overeenkomst meer dan 30 tot het blokkade eskader behoorende schepen naar Deli ter proviandeering vertrokken zijn — bij liet arrest a quo wordt afgeleid dat die overeenkomst strekken moest om gedurende de krijgsverrichtingen tegen Atjeh de verstrekking van levensmiddelen en verdere benoodigdheden ten behoeve en ten dienste van alle daartoe door- de Re.geering te gebruiken schepen te verzekeren en de levering daarvan bij uitsluiting op te dragen aan der appellanten auteur;

O. dat derhalve niet juist is, wat geint. beweert, dat alleen zou bedoeld zijn Deli aan te geven als de plaats, waar die benoodigdheden tegen vastgestelde prijzen voor de schepen konden worden verkregen, wijders hare opmerking, dat uit 's Hofs opvatting zou volgen dat ook de uit Nederland en van Batavia of van elders komende schepen zich ter proviandeering eerst naar Deli zouden hebben te begeven, daardoor wordt weersproken dat de overeenkomst, naar de daaraan gegeveue uitlegging, geen