is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt om te doen wat hij in het belang zijns lastgevers noodig mocht achten ;

O. wijders, dat de wet voor de onderwerping bij gemachtigde aan de Europeesche wetgeving geene bijzondere lastgeving vereischt, en dat derhalve voornoemde Arabier allezins bevoegd was om, krachtens meergemelde procuratie, de eerste appellante met opzicht tot de bij de notariëele acte van 28 Februari 1883 geconstateerde schuld, te onderwerpen aan de voor de Kuropeanen vastgestelde wettelijke bepalingen;

O. voorts, dat de eerste rechter op allezins juiste gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, heeft beslist, dat dein 1878 tegen den Arabier Sech Abdul Kadir uitgesproken faillietverklaring dezen niet onbevoegd deed zijn om als lasthebber op te treden;

O. verder wat de bewering der appellante betreft, dat het beslag en bevel niet ten woonhuize van haar, appellante, zijn uitgebracht en dat de deurwaarder niet met een huisgenoot van haar heeft gesproken, dat die bewering, welker juistheid de tegenpartij heeft ontkend, niet is bewezen, terwijl het bewijs daarvan ook niet aangeboden is, en dat dus alleen reeds om die reden het door de appellante in de derde plaats aangevoerde middel als ongegrond moet worden verworpen;

O. dat evenmin opgaat de door de appellante in de laatste plaats voorgedragen grief, dat zij namelijk is geinsinueerd en gesommeerd zonder te zijn bijgestaan en gemachtigd door haar man, niettegenstaande zij als getrouwde vrouw, volgens de Soendaneesche adat, zonder dat, niet aan een bevel tot betaling kan voldoen;

O. toch dat uit de acte obligatoir van 28 Februari 1883 blijkt, dat zij, appellante, zich zonder eenigen bijstand of machtiging van wien ook, verbonden heeft jegens hare schuldeischeres, en dat deze dus volkomen bevoegd was van haar alleen betaling te vragen, terwijl zij, appellante, indien zij voor die betaling de machtiging van haren man behoefde, in casu, waar van geen rechtsgeding sprake was, zelve de noodige maatregelen had belmoren te nemen, ten einde zoodanige machtiging te verkrijgen;