is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij conclusie van antwoord is geconcludeerd, gelijk hierboven vermeld, tot nietig en van onwaarde verklaring van het gedaan aanbod, in hoofdzaak op grond, dat de procureur Mr. van den Bergh tot het doen van gezegd aanbod niet bevoegd was, daar hij bij afzonderlijke acte, gelijk art. 107 al. 1 B. Rv. voorschrijft, in stede van bij bovenvermeld exploit van 21 Juli 1886 had behooren te zijn gemachtigd; dat bovendien, vermits geintimeerde verzuimd heeft om op de bij art. 110 B. Rv. voorgeschreven wijze haar vroegeren procureur Mr. Vorstman te hei roepen, de latere procureursacte, bedoeld bij het exploit van 23 December 1887, de nietigheid van het aanbod niet wegneemt;

O. dat de eerste rechter terecht, doch op minder juiste gronden, de nietigheid en onwaarde van het gedaan aanbod heeft verworpen;

dat toch het beweren van appellanten als zoude de procureur Mr. van den Bergh het aanbod van betaling hebben gedaan, zijn feitelijken grondslag mist, vermits uit den aanhef van het exploit van 21 Juli 1886 ten duidelijkste blijkt dat dat aanbod werd gedaan door de geintimeerde zelf;

dat hiertegen niet obsteert het hierboven gereleveerd feit dat die procureur bij dat exploit wordt gezegd zich voor geintimeerde tot procureur te stellen, vermits die mededeeling mede van wege de geintimeerde heeft plaats gehad;

dat voorts appellanten ten onrechte van meening zijn dat het aanbod had behooren te zijn beteekend overeenkomstig art 107, al. 1 Rv., d. i. bij procureursacte, vermits toch ten deze niet voorzegde wetsbepaling doch de artt. 607 en 608 B. Rv. van toepassing zijn, en geen dezer twee laatste artikelen de tusschenkomst van een procureur tot het doen beteekenen van den schadestaat en van het daarop c. q. gevolgd aanbod vorderen;

dat derhalve het aanbod als in casu geheel overeenkomstig de wet geschied, op deze en dus andere gronden dan in het vonnis a quo ontwikkeld, behoort te worden gehandhaafd;

O. met betrekking tot het beweren van geintimeerde als zouden appellanten in hooger beroep nieuwe middelen hebben gesteld, doordien zij, na in eersten aanleg alleen de nietigheid