is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar het niet bekend is of appellanten in vorige jaren niet een veel grooteren goederenvoorraad hadden en het evenmin vaststaat of op al de handelsgoederen van appellanten beslag is gelegd, vermits in elk geval uit de boeken kan blijken of de zaak van appellanten eene welbeklante was of niet;

Gelet enz.;

Alvorens" ten principale recht te doen,

Vergunt aan appellanten om door de handelsboeken van den tweeden appellant over de jaren 1879 t/m 1883 te bewijzen dat deze gedurende dat tijdsverloop door elkander 's maands heeft verkocht voor een bedrag van f 2905;

Staat wijders aan appellanten toe om door getuigen te bewijzen de navolgende daadzaken:

lo. enz.;

Draagt den Resident van Amboina op om zoowel van de opgemelde boeken inzage te nemen, van zijne bevinding een proces-verbaal op te maken en den Hove over te zenden als om het evenbedoeld getuigenverhoor te houden;

Verstaat dat de meest gereede partij zich tot dien hoofdambtenaar zal wenden ter bepaling van dag, plaats en uur voor het te houden getuigenverhoor;

Reserveert de kosten tot de einduitspraak.

CASSATIE.

Zitting van 2 Januari 1890.

Voorzitter: Mr. J. Sibenius Trip.

Het voorschrift in art. 188 al. 1 Inl. Regl. en art. 61 sub 4o. Iiv. (1), dat in vonnissen, die op stellige wettelijke bepalingen gegrond zijn, dezen daarin moeten vermeld worden, is, voor zooveel burgerlijke zaken betreft, vervallen door art. 91 al. 1 R. R.

(1) Zie ook art. 30 R. O.