is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1890, 01-01-1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanzien van het hier behandelde onderwerp, rautatis mutandis, den Nederlandschen wetgever overigens woordelijk naschreef, slechts ééne regeling maakte voor alle zaken, zoowel de zoogenaamde grooten als de kleinen, door de raden van justitie te behandelen ?

Was het omdat het zijn wil was dat er geen onderscheid zoude bestaan? Dit achten wij niet mogelijk otn de reeds hoven aangevoerde reden, dat het niet aan te nemen is dat in kleine zaken, zoo gratis geprocedeerd wordt wel en zoo niet gratis geprocedeerd wordt, geen bijstand van eenen procureur zoude vereischt worden.

Dat de Indische wetgever het zoude verzuimd hebben uitdrukkelijk afzonderlijke regelingen te maken voor groote en kleine zaken is evenmin aannemelijk, omdat hij, bij het als het ware copiëeren der Nederlandsclie wet, daar twee afzonderlijke regelingen voor zich zag, de eene voor de Hoven en Rechtbanken en de andere voor de Kantonrechters en hij even te voren in de eerste afdeeling van denzelfden Titel, waarvan de twaalfde afdeeling de voorschriften bevat voor de toelating om kosteloos te procedeeren, ter vervanging van de in Indië niet bestaande Kantongerechten, eene procedure had geregeld voor de zoogenaamde kleine zaken voor de raden van justitie. Het kan hem dus, vooral met het oog op de plaats die art. 788 sqq. in de wet innemen, niet ontgaan zijn, dat er in Indië, evenals in Nederland voor de Kantonrechters in civilibus, eene procedure bestond, waarbij geen procureurs noodig zijn.

De eenige rationeele oplossing, waarbij dan ook geen sprake kan zijn van een verzuim dat men den wetgever zoude kunnen (en laste leggen, is naar onze meening deze, dat de Indische wetgever het overbodig achtte om bij de procedure op een verzoek om pro deo uitdrukkelijk te bepalen dat al wat daarin voorkwam betrekkelijk procureurs niet zou gelden voor de kleine zaken, omdat dit van zelf sprak, daar hij even te voren in art. 788 ipsis verbis gezegd had, dat in die zaken geene procureurstelling plaats heeft, maar partijen in persoon voor den rechter verschijnen, ten ware zij mochten verkiezen zich door eenen daartoe