is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den inlander, al is bij Christen, niet met den Europeaan gelijk stelt.

De proeve is ook in andere opzichten niet aan te bevelen en oin dit aan te toonen een enkel woord over de voorgestelde grondslagen.

Sub lo. De verwarring waartoe de categoriën b. en c. aanleiding zouden geven is niet te miskennen. Logisch zou b, moeten omvatten eene categorie van inlanders die geen Christenen zijn, om de vermoedelijk bedoelde tegenstelling met c. te doen uitkomen, want inlanders zijn zoowel die sub c. als b. bedoeld. En wat de slotzin betreft: eerst en vooral had moeten worden bepaald, wie onder Europeanen worden begrepen en wie met Europeanen zullen gelijk staan. De negatieve bepaling dier slotzin is in een wettelijk voorschrift hoogst verwerpelijk, hoeveel te meer waar de positieve bepaling ontbreekt waaraan ze moet worden getoetst

Sub 2o. Zonderling voorschrift! Ads regel de verplichting opgelegd aan de inlandsche Christenen de nationale kleederdracht van hun vader te blijven dragen, dat is dus de kleeding van inlander. De scherpe grens, die tusschen de ingezetenen der koloniën wordt getrokken, is gelegen in het verschil in godsdienst, dat zich niet uiterlijk openbaart en in het verschil in kleeding, dat zich juist uiterlijk vertoont. Die scherpe demarcatielijn, op de overschrijding waarvan art. 2 no 6 van het algemeen pohtiereglement voor inlanders en art. 4 no. 6 van het politiereglement voor Europeanen straf bedreigt. Is nu de inlandsche Christen en Christin vrij althans eenige wijziging in kleeding aan te brengen die althans het verschil niet zoo grof in het oog doet springen en die ietwat nadert tot meer Europeesche kleedij, zooals men dat in üepok en andere Christengemeenten in 't Soerabaiasche en in de Molukken kan opmtrken, — de heer van Nunen wil die wijziging onmogelijk maken, wil de inlandsche Christenen et nali natorum et qui nascentur ab illis voor altijd wettelijk binden aan de kleeding van de mohamedaansche inlanders, wil hen van dezen ook in dit opzicht door niets doen onderscheiden, zoodat in het voorstel des heeren van Nunen een inlandsch Christen, LYI. 12