is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in casu wel oorspronkelijk in den aanvang van het geding bij de voordracht van de acte van beschuldiging door den hoofddjaksa heeft bestaan en eerst gedurende den loop van het geding is te niet gegaan, daar immers de rechter op eene beschuldiging geen recht kan doen tenzij het recht van liet Openbaar Ministerie tot die strafvordering als op dat oogenblik bestaande door hem wordt erkend, omdat anders die beschuldiging, naar aanleiding van welke hij dan zijne beslissing heeft te nemen, voor hem het wettig karakter niet kan bezitten, hetwelk vereischt wordt om hem daartoe de wettige aanleiding te geven; weshalve ook liet vervallen van het recht tot strafvordering gedurende het geding noodzakelijk de niet ontvankelijkheid der ingestelde strafactie moet met zich brengen ;

Lettende op art. 240e van het Reglement op de uitoefening der politie enz. (Staatsblad 1S85 110. 81) en op art. 411 van het Reglement op de strafvordering voor de raden van justitie op Java enz. ;

Rechtdoende,

Vernietigt het door den landraad op den 9den Augustus 1890 tegen den beklaagde Setrowirio gewezen vonnis;

Verklaart het Openbaar Ministerie in zijne vordering tot straf tegen dien beklaagde niet ontvankelijk;

Veroordeelt den Staat in de kosten van de beide instantiën.

Zitting van 13 Maart 1891.

Voorzitter: als voren.

Art. 83 sub 2o. R. O. — Art. 124 Str. Inl.— Art. 417 Inl. Regl. — Slapen op wacht. — Proceskosten.

Het niet behoorlijk vervullen van •wachtdienst niet strafbaar zijnde, zoo stelt het door een openbaar ambtenaar, ten gevolge van een ontvangen gave, niet aan de bevoegde autoriteit mededeelen, dat hij eenen op wachtdienst zijnden inlander slapende had bevonden, geene omkooping daar.