is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ook de tweede beslissing van den rechter a quo minder juist toeschijnt;

dat de bedenking des rechters a quo, dat. de eed van art 809 W. v. K. t een decisoire eed is, steunt op liet argument dat de crediteur dien eed niet zou kunnen terugwijzen;

dat het criterium van een decisoiren eed evenwel geenszins is dat hij teruggewezen moet kunnen worden, daar art. 1931 B. W. zoowel slaat op den eed waar hij opgelegd als waar hij teruggewezen wordt, en niemand een teruggewezen eed behoeft uit te zweren, als hij niet loopt over eene daadzaak die hij persoonlijk heeft verricht, art. 1933 B. W.;

dat het nu in het oog springt dat de eed van art. 809 W. v. K. nimmer teruggewezen kan worden omdat degene, wien hij opgelegd wordt, wel zweren kan, dat zijn eigen vordering, tot het ontstaan waarvan hij dus medewerkte, deugdelijk is, maar natuurlijk de medecredit'eur, die den eed defereerde nooit kan zweren dat die vordering ondeugdelijk is, daar hij er geheel vreemd aan is;

dat men met dit argument dus niet veel verder komt; dat men evenmin verder komt met het andere argument, door den rechter a quo aangevoerd tegen appellants sijs'ecm, namelijk dat de decisoire eed wordt opgelegd in een rechtsgeding, terwijl de eed van art. 809 K. zou worden opgelegd zonder dat van een geding sprake is;

dat immers salva reverentia wordt opgemerkt, dat de plaats en de gelegenheid hij welke een handeling verricht wordt, geding of geen geding, zomer of winter, Azië of Europa, nimmer in aanmerking kan komen bij de determineering van den iutrinsieken aard en wezen van zoodanige handeling, doch men die moet opsporen uit de eigenschappen, die de wet aan haar toekent, en dat nu de wettelijke definitie van den decisoiren eed is, dat hij dient om van het al of niet uitzweren daarvan de beslissing „der zaak" te doen afhangen, art. 1929, le B. \V., terwijl dit nog wordt verduidelijkt door de woorden „geschillen van welken aard ook" in art. 1930 B. W., eene definitie, aan welke de eed van ar(. 11 09 W. v K. geheel voldoet;