is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschenkomst van de wederpartij geschiedt, en haar rechtsgevolg uitoefent onafhankelijk van de toestemming der andere partij (art. 1932 B. W.) die, al wil zij 't ook anders, moet zweren of terugwijzen op strafte van anders 't proces te verliezen ;

dat het nu waar moge wezen, dat de wederpartij dikwijls toestemt in de uitzwering, maar dat het even waar is, dat die toestemming geen vereischte daarstelt om de opdracht van den eed als geldig te beschouwen, of dat eene weigering van den eed de gevolgen daarvan doet missen;

dat evenmin de eed geschiedt tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, wat een der kenmerken der dading is;

immers partijen geven niets over, beloven niets, houden niets terug en wordt dan ook de eed aangenomen of geweigerd, het zijn niet de partijen, doch het is de rechter die aan hen de verplichtingen oplegt;

dat dus ook dit criterium van dading, dat de zaak zonder eenig nader onderzoek tusschen en door partijen zelf wordt afgedaan, evenmin aanwezig is, immers alleen de waarheid of onwaarheid der feiten, waarvan het geschil afhankelijk is, door den eed bevestigd wordt, doch het pertinente en concludente dier feiten door den rechter moet worden uitgemaakt, 't geen alweder een onderzoek naar het rechtspunt door den rechter in zich sluit, zoodat al moge ook bij eedsopdracht het vonnis overeenkomstig den eed gewezen worden, dit niettemin geheel berust op 't interlocutoir;

dat derhalve de eed, waarbij men niets anders doet dan, onder aanroeping van de godheid, eene daadzaak bevestigen, louter is een bewijsmiddel in rechten, waarvan een ieder, welke het recht heeft een geding te voeren, zich mag bedienen hetzij om dien op te dragen of aan te nemen ;

dat onze wetgever dit inziende dan ook, in afwijking van den Franschen wetgever, die den eed behandelde onder de contracts en obligations — van daar dan ook dat Fransche schrijvers gewoonlijk den eed als dading qualificeeren — in onze wet aan den eed eene plaats heeft ingeruimd onder de bewijsmiddelen (art. 1886 B. W.);

dat de wetgever dan ook zoo weinig aan dading gedacht heeft,