is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dit duidelijk is en niets anders kan beteekenen, dan dat die tijd zal worden afgetrokken van den in de overeenkomst bepaalden duur der diensten, en dat gevolgelijk de werktnna dien nog zal hebben bij te dienen, of daarmede de tijd der overeenkomst — die anders afgeloopen zoude zijn — verlengd wordt;

dat dus de meening des rechters a quo, die zich hierin met den eersten rechter vereenigt, dat deze bepaling niet hierop, maar op de berekening van het loon des werkmans betrekking zoude hebben, onjuist is, en dan ook het woord loon hierin niet voorkomt, maar het onderwerp van het loon en zijn berekening behandeld wordt bij art. 5 van hetzelfde Slaatsblad, en aldaar, waar zij derhalve haar plaats had moeten vinden, er ook niet naar verwezen wordt;

dat hiertegen ook niet kan aangevoerd worden dat de bedoeling des wetgevers zoo niet kan geweest zijn, daar daardoor de belangen des werkmans, dien hij juist geacht moet worden te hebben willen beschermen, te veel zouden geschaad worden, daar in de eerste plaats de bepaling billijk voorkomt, en juist bij gebreke daarvan, de belangen des werkgevers uit het oog verloren zouden zijn ;

en dat dus met deze bepaling bij de toepassing vau art. 7 van hetzelfde Staatsblad rekening behoort te worden gehouden, en het tijdstip van het einde van het contract diensvolgens niet altijd beteekent, den dag, waarop dit daarin bedongen is, maar in een geval als het onderwerpelijke, den dag waarop de tijd, gedurende welken niet is gewerkt, zal zijn bijgediend, zoodat de daar vermelde verplichting des werkgevers, om bij het einde daarvan aan den werkman een ontslagbriefje te geven, eerst dan, en niet op den in de overeenkomst bedongen dag, ontstaat;

O. dat de rechter a quo door deze beslissing art. 7 van het meergenoemd Staatsblad verkeerd toegepast en de slotalinea van art. 2 daarvan geschonden heeft, en het middel in zooverre is gegrond;

O. dat derhalve het vonnis van den rechter a quo zal behooren te worden vernietigd, en het Hof, rechtdoende ten