is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat bovendien de wet onder achterhouden van stukken verstaat: het geheim houden of het ontkennen van het bestaan van stukken, zooals blijkt uit art. 39 l Rechtsvordering, luidende: dat indien het request civiel gegrond is onder anderen op het ontdekken van nieuwe stukken, de termijnen loopen van den dag af op welken die stukken „ontdekt zullen zijn

dat nu in casu geen sprake is van „nieuwe stukken" noch van het „ontdekken" daarvan, daar immers gedaagde van den beginne af van zelve erkend heeft, dat de bewuste brief bestond en zich in hare handen bevond;

dat ook hier geldt, wat reeds boven is betoogd omtrent het in strijd met de procesorde wisselen der procureursacten van 4 en 7 December 1889;

dat de sommatie tot overlegging en de weigering daarvan bij die onwettige acten zijn geschied en daarop, gelijk reeds gezegd, door het Hof geen regard is geslagen;

dat de reden, waarom gedaagde dien brief niet kon noch mocht overleggen, in hare procureursacte van 7 December 1889 alleszins voldoende is gemotiveerd;

dat eindelijk die brief niet is van beslissenden aard; dat bij het arrest a quo eischers vordering is ontzegd, omdat zij niet was bewezen;

dat die vordering strekte tot betaling van levensonderhoud, en nu het Hof overweegt, dat de uitdrukking „itoe onkost" in den brief van gedaagde „blijkbaar terugslaat op eenen brief van den eischer aan gedaagde (hetgeen dan ook door den eerste niet is ontkend) en zonder dien brief, welke niet ten processe overgelegd is kunnen worden, onmogelijk bewijs kan opleveren voor eischers sustenu, dat hem van gedaagde maandelijks een onderhoud voor het leven tot meergemeld bedrag competeert;"

dat eischer dus had behooren aan te toonen, dat hij in den bewusten brief een levenslang onderhoud van ƒ200 'smaands had bedongen, doch aan een dergelijk betoog zelfs geen woord heeft gewijd;

dat daarvan dan ook in dien brief geen sprake is, zoodat, al ware dat stuk in het geding geweest, zulks geen invloed op 's rechters oordeel had kunnen uitoefenen;