is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1891, 01-01-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GE RECHTS HOE VAN NEDERLANDSCH INDIE,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken ;

Met betrekking tot de daadzaken,

Overnemende de uiteenzetting daarvan, vervat in liet door den raad van justitie te Soerabaja op tien 7 Januari 1891 tusschen partijen gewezen vonnis, waarbij, met verwerping van bet door gedaagde opgeworpen niet ontvankelijkbeidsiniddel, aan eiscber zijne vordering, strekkende in hoofdzaak tot nietigverklaring van de door gedaagde tegen hem tenuitvoergelegde gijzeling, is ontzegd, met veroordeeling van hem in de kosten van bet geding; En wijders:

O. dat de eiscber, zich met die uitspraak bezwaard achtende, daarvan binnen den bij de wet gestelden termijn is gekomen in hooger beroep en daartegen beeft aangevoerd :

dat ten onrechte door den raad van justitie is beslist, dat de Regeering niet zou verloren hebben baar recht om den uitgesproken lijfsdwang ten uitvoer te leggen ;

dat, al is van eene uitdrukkelijke overeenkomst van dading < f boedelafstand in rechten niet gebleken, zulks ook niet noodig is om de geintimeerde Regeering dat recht te doen verliezen;

dat men immers bet recht om een vonnis te executeeren verliest, door dingen te doen, uit welke ondubbelzinnig blijkt van zijn voornemen om op andere wijze dan door executie van zijn vonnis tot betaling der vordering te geraken en welke onvereenigbaar zijn met de gerechtelijke executie;

dat zoodanige handelingen van de zijde van de geintimeerde hebben plaats gehad, gelijk in eersten aanleg in bet breede is betoogd, aan welk betoog de appellant zich refereert, wordende er wel op gewezen, dat bet ten eenenmale onaannemelijk is, dat de appellant aan de geintimeerde al zijn bezittingen en inschulden zou hebben afgestaan, zoo daar niet tegenover bad gestaan de belofte zijdens de geintimeerde om hem nu ook niet te gijzelen, en wel om de nuchtere bedenking, dat niets in zaken voor niets pleegt te geschieden, en de appellant zonder