is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen, zoomede de verjaring dier vorderingen, en daarbij tevens den rechter heeft aangewezen, bij vvien die vorderingen moesten worden aangebracht;

O. dat de bewoordingen, waarin liet opschrift van dien titel is vervat, „Van de vervolgingen en verjaringen" zoodanig algemeen zijn, dat zij zonder eenigen twijfel aantoonen, dat bij daarin beeft behandeld alle vervolgingen, die een gevolg zouden kunnen zijn van de niet nakoming van de daaraan voorafgaande bepalingen, en evenzeer ook de verjaring daarvan;

O. dat er dan ook geen enkele reden denkbaar is, waarom bij eene der vervolgingen van de verjaring zou hebben uitgesloten en men den wetgever niet bet verwijt mag doen, dat bij iets zou hebben over bet hoofd gezien, een verwijt dat in casu bovendien in zeer hooge mate lichtvaardig zou zijn, immers art. 1 1 der Ordonnantie niet alleen behandelt de belasting bij elk volgend tiental jaren, maar ook die bij den aanvang van bet fideico rara is verschuldigd, dat is derhalve bij den overgang van den insteller op den eerst ingesteldden fideicommissairen erfgenaam, krachtens art. 7 voorafgaand zeer zeker tot aangifte, met inachtname van den gestelden termijn, verplicht;

O. dat zulks dan ook niet door den wetgever is geschied, daar hij in art. 43 sprekende van „in de gevallen van de verzuimde aangifte" en „te rekenen van den dag, op welken de termijnen van aangifte zullen verstreken zijn", blijkbaar het oog heeft gehad op den 2den titel, waarin art. 1 i vd. is geplaatst en tot opschrift voerende „Van de aangifte en waardeering van het geërfde of verkregene";

, dat nu van de waardeering van het geërfde eerst gesproken wordt in art. 18 der Ordonnantie, waaruit volgt dat de wetgever de daaraan voorafgaande artikelen heeft beschouwd als te behooren tot de aangifte en hare regelingen;

O. dat bij gevolg moet worden aangenomen, dat de wetgever in art. 43 vd., zoo algemeen mogelijk sprekende van „het recht van successie" daaronder ook begrepen heeft het recht verschuldigd „bij elk volgend tiental jaren," al past daarop niet volkomen de gestelde aanvangstermijn voor de verjaring,' zoodat de