is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog gelezen de beschikking van genoemden raad van 5 Augustus 1891, waarbij die raad zich onbevoegd heeft verklaard om van bovenstaand requisitoir kennis te nemen;

Verklaart dat, aangezien volgens art. 136 van het Regl. op de R O. enz. van 's raads beschikking voornoemd hooger beroep valt aan het Hoog-Gerechtshof en wel blijkens art. 341 van het Reglement op de Burgerlijke liechtsvordering enz. binnen drie maanden na de dagteekening daarvan, hij zich met die uitspraak bezwaard gevoelt en mitsdien daarvan bij deze tempore utili in hooger beroep komt bij uwen Hove.

De raad zegt dat gemelde Pangeran behoort tot de categorie der in de 2e alinea van art 138 van het Regl. op de Regterl. Org. genoemde personen, en de voorschriften van de vier voorgaande artikelen derhalve niet op hem toepasselijk zijn, zoodat de dagelijksche rechter van den inlander in deze de bevoegde rechter is; dat zoowel art. 131 R. O. als Staatsblad 1867 no. 10 de burgerlijke rechtsvorderingen en de rechtsvorderingen ter zake van misdrijf of overtreding tegen de personen als Pangeran Wira Nata voor den raad van justitie aanhangig gemaakt wil hebben, maar dat de door ondergeteekende ingediende vordering onder geen van de beide soorten, nl burgerlijke en strafrechtelijke rechtsvorderingen te brengen is, daar zij, hoewel van publiekrechtelijken aard, niet behoort tot de laatstgenoemde rechtsvorderingen

Dit komt ondergeteekende voor onjuist te zijn.

Moge theoretisch gesproken de vordering tot bewaring van een krankzinnige beschouwd kunnen worden als van publiekrechtelijken aard, in de wet vindt die opvatting blijkbaar geen steun. Immers in het Burgerlijk Wetboek vindt men de vordering van dien aard besproken in de artt. 455 en volgende en 462, met deze onderscheiding, dat krachtens art. 455 de verzorging van een onder curateele gestelde in woning of ziekenhuis gevraagd kan worden, dat art. 456 ten aanzien van personen, die o. a. wegens krankzinnigheid niet aan zich zelve overgelaten kunnen worden of gevaarlijk zijn voor anderen, naar de voorschriften van art. 134 volgg. R. ü. verwijst, en