is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«aarvan daar sprake is, alleen hen geldt, op wie de daarbij bedoelde nieuwe wetgeving van toepassing was, en dus niet de onderwerpelijke Chineezen, welke daaraan niet onderworpen waren ;

O. dat dus inderdaad de rechter a quo, door zijne voormelde beslissing, het meergenoemde Staatsblad heeft geschonden, en in zooverre het middel juist, is, zoodat het vonnis a quo moet vernietigd worden en het Hoog-Gerechtshof ten principale recht moet doen;

O. te dier zake, dat' de landraad, op de gronden in zijn vonnis vermeld, terecht de vordering van de eischeresse, thans gerequireerde, heeft ontzegd, en dit alzoo behoort te worden bekrachtigd ;

Gelet op de aangehaalde artikelen en op de artt. 402 en v. en 58 van het E. op de B. E.;

Eechtdoende,

Verklaart den requirant ontvankelijk met het door hem ingesteld beroep in cassatie;

Vernietigt het vonnis door den raad van justitie te Soerabaja op den 24sten December 1890 tusschen partijen gewezen, in hooger beroep van dat van den landraad te Bandjermasin dd. 6 Augustus 1890, voor zooverre daarvan cassatie is aangeteekend;

Bekrachtigt het laatstgemelde vonnis, voor zooverre dat den requirant betreft;

Veroordeelt de gerequireerde in de kosten in hooger beroep en in cassatie gevallen.

Zitting van 7 Januari 1892. Voorzitter: als voren.

Bewijs door authentieke acten .— Aar. 161 Pai.embang Eegl. (art. 168 Inl. Eegl.) — Onbepaalde vordering.

De rechter beslissende, dat overgelegde authentieke acten niet het bewijs opleveren voor een gesustineerd recht, heeft daardoor