is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een uitvoerig verslag van de wording en geschiedenis van Staatsblad 1855 no. 79 heeft de Heer Mr. Sibenius Trip gegeven in deel 27 van het Recht in Ned. Indië bi. 65 sqq.

Uit dat opstel zal men ontwaren, dat de eerste persoon, die zich met de zaak, namelijk de toepasselijkverklaring der Europeesche wetgeving op Inlanders en met deze gelijkgestelden (aanvankelijk toch dacht men ook aan eene toepasselijkverklaring dier wetgeving op de eigenlijk gezegde Inlanders) bezig hield, was de Staatsraad Jhr. Mr. Wichers. Van hem bestaan zelfs drie ontwerpen met de noodige toelichtingen en andere bijlagen.

Welnu reeds bij zijn eerste ontwerp, waarbij hij ten aanzien van „de Arabieren, Mooren, Chineezen en alle andere Oostersche „volken, geene landzaten of inboorlingen zijnde van den In„dischen Archipel", buiten toepassing liet: het geheele eerste boek van het Burgerlijk Wetboek; van het tweede boek van dit Wetboek al wat betrekking had op de erfopvolging bij versterf, de uiterste willen, met uitzondering van de artikelen handelende over den vorm van uiterste willen (artt. 938, 939, 944 tot en met 950 en 953) en voorts de onderwerpen behandeld in de 14e, 15e, 16e, 17e en 18e titels van dit boek, terwijl overigens het Burgerlijk Wetboek op genoemde personen toepasselijk werd verklaard, vindt men onder de bijlagen volledige afschriften van verschillende Resolutiën des Casteels Batavia, en daaronder ook de door mij genoemde van 24 December 1720 en 23 Mei 1766. En het was blijkbaar met het oog op die Resolutiën, die nimmer waren ingetrokken en dus steeds kracht van wet hadden, dat de Heer Wichers in art. 26 van zijn eerste ontwerp opnam de bepaling: „Met opzicht tot de „onderwerpen van het burgerlijk en handelsrecht, met betrekking tot welke de inlanders «n daarmede gelijkgestelde personen niet bepaaldelijk aan de Europeesche wetgeving zijn „onderworpen, zullen te hunnen aanzien bij voortduring, immers „tot dat dienaangaande nader zal zijn beschikt, van kracht zijn „de thans daaromtrent bestaande op hen toepasselijke wetten en verordeningen." En vergelijkt men nu deze bepaling met