is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleg, te beslissen, dat uit deze artikelen blijkt, dat de in art. 103 bedoelde oproeping is een daad, die is opgedragen aan den president, bij wien het gebeele beleid der tenuitvoerlegging berust, en dat dus, waar die geschiedde, wel is waar op verzoek, doch verder geheel buiten bemoeienis van de gedaagden, die zelfs niet bevoegd waren daarop controle uit te oefenen, deze nimmer aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de gevolgen eener fout bij die oproeping begaan ;

O. ten aanzien hiervan,

dat de eerste rechter in zijn vonnis, waarvan de gronden en motieven door den rechter a quo zijn overgenomen, heeft overwogen, dat bij art. 103 van het vooraangehaald reglement de oproeping van den veroordeelde (die onwillig of nalatig is om aan den inhoud van een vonnis gevolg te geven) is opgedragen aan den president van den landraad, en daaruit de gevolgtrekking heeft gemaakt, dat deze oproeping, hoewel dan ook gedaan wordende op verzoek van den persoon, in wiens voordeel het vonnis gewezen is, toch geheel buiten zijn bemoeienis geschiedt, en deze dientengevolge voor een fout daarbij begaan niet aansprakelijk kan gesteld worden; op grond waarvan hij de vordering heeft ontzegd;

O. dat dit is juist;

dat toch uit de artt. 103, 104 en 105 van het vooraangehaald reglement ten duidelijkste volgt, dat de geheele tenuitvoerlegging van het vonnis — waarvan de oproeping des schuldenaars de eerste daad is — berust bij den voorzitter van den landraad, zonder eenige tusschenkomst van den executant;

dat nu in dit stelsel van eenige aansprakelijkheid van dezen ter zake daarvan geen sprake kan zijn, maar dit alleen het geval zoude kunnen zijn, indien hij daarbij handelend optrad;

dat dit ook blijkbaar zoo door den wetgever begrepen is, daar deze bij het middel van verzet, dat den schuldenaar tegen de tenuitvoerlegging toegekend wordt, geen melding maakt van een actie tot schadevergoeding, welke de geëxecuteerde tegen den executant zoude kunnen hebben, maar dit integendeel wel doet, w aar sprake is van een verzet tegen een tenuitvoerlegging onder