is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch haar dit beroep niet kan baten; dat toch, voorop gesteld dat het Burgerlijk Wetboek uit den aard der zaak niet van zelf toepasselijk kan zijn op publiekrechtelijke vorderingen, in dit artikel geen sprake is van eene uitzondering ten aanzien van de verantwoordelijkheid van comptabele ambtenaren, en toepasselijkheid ten aanzien van het overige;

dat dit artikel, hoezeer in de Bepalingen omtrent de invoering van en den overgang tot de nieuwe wetgeving opgenomen, inderdaad geen overgangsbepaling is, het immers niet vaststelt dat de oude bepalingen ten aanzien der hierbedoelde verantwoordelijkheid voorloopig in stand zullen blijven, omdat anders de bepalingen der t.ieuwe wetgeving daarop zouden moeten geacht worden van toepassing te zijn ;

dat het alleen doet uitkomen, dat de nieuwe wetgeving met de hierbedoelde materie niets te maken heeft, daar het bepaalt dat hare voorschriften geen inbreuk maken niet alleen op de bestaande, maar ook op de later te dezer zake uit te vaardigen verordeningen;

O. dat alsnu tot de beantwoording van de in de tweede piaats gestelde vraag behoort te worden overgegaan;

O. te dien aanzien, dat de rechter a quo ten onrechte met den gèintimeerde de bepalingen omtrent de verjaring van schulden, opgenomen in Staatsblad 18-32 no. 41, op publiekrechtelijke schulden, en mitsdien ook op de door appellante gevorderde, heeft toepasselijk geacht;

O. dat de eerste rechter deze beslissing heeft gegrond hoofdzakelijk op de volgende bewijsgronden :

dat uit de considerans duidelijk blijkt dat Staatsblad 1832 no. 41 een algemeen karakter heeft, en de wetgever daarbij de herziening van de geheele materie van verjaring op het oog heeft gehad ;

dat de inhoud van dat Staatsblad die opvatting 'bevestigt, daar de daarin vervatte bepalingen zijn getreden in de plaats van Staatsblad 1829 no. 86, waarbij onderscheid wordt gemaakt tusschen particuliere schulden en schulden van comptabele ambtenaren, cn voor beide soorten afzonderlijke bepalingen zijn