is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bank van omgang, hetzij van den landraad, de stukken ten spoedigste zendt aan den voorzitter der rechtbank, die hij bevoegd acht, en dat hiertoe volgens art. 89 alinea 2 van dat reglement ook de assistent-residenten bevoegd zijn, die daartoe door den resident zijn gemachtigd ;

dat de rechter a quo van meening is, dat gemeld art. 82 doelt op den voorzitter eener rechtbank, gevestigd of zitting houdende binnen de afdeeling, over welke de bestuursambtenaar, die als onderzoekingsrechter in de zaak heeft gefungeerd, is gesteld omdat het spreekt van de rechtbank van omgang en van den landraad, en niet, meer onbepaald, van een rechtbank van omgang en van een landraad, en op grond hiervan den djaksa bij den landraad te Batang niet ontvankelijk heeft verklaard met zijn verzoek tot regeling van rechtsgebied, maar dat deze meening is ongegrond, omdat in voornoemd artikel alleen sprake is van eene verdeeling van zaken, naar gelang van het forum, waarvoor zij berecht moeten worden, doch niet van een bepaald binnen eenig ressort gevestigde rechtbank ;

O. dat dus de rechter a quo dat artikel geschonden heeft en op grond daarvan zijn vonnis behoort vernietigd te worden en het overbodig is te treden in een onderzoek naar de gegrondheid van het andere middel;

O. dat dientengevolge alsnog op het rekest van den djaksa bij den landraad te Batang om regeling van rechtsgebied behoort te worden rechtgedaan ;

O. dat zulks zal behooren te geschieden door den raad van justitie te Semarang, daar deze nog geen beslissing ten principale genomen heeft en het jurisdictie geschil zich bii.nen zijn rechtsgebied voordoet, zoodat het ingevolge art. 127 no- 1 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie door dat college in het hoogste ressort moet worden beslist;

Gelet op de aangehaalde en de artt. 303 en volgende en 411 van het Reglement op de Strafvordering;

Rechtdoende,

Vernietigt het bovenomschreven door den raad van justitie te Semarang op den 9den Januari 1892 gewezen vonnis, waarvan cassatie;