is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij eene tweede acte door partijen verklaard zijnde, dat zij de bij eene vroegere aete geconstateerde overeenkomst wenschen te wijzigen, dan hebben partijen uitdrukkelijk erkend, dat zij de rechtsbetrekking, waarin zij krachtens de vroegere acte tot elkander hadden gfestaan, verlangen op te heffen en dat daarvoor in de plaats zal treden de rechtsbetrekking geregeld bij de tweede acte.

Wanneer daarbij het onderwerp der overeenkomst op nieuw in alle onderdeelen geregeld is, dan kan, ook al is hierdoor geen novatie ontstaan, de schuldeischer alleen ageeren uit de tweede aete.

Een kind eene lijfrente vestigende op zijnen behoeftigen vader, ten einde dezen een levensonderhoud te versehaflen, doet daardoor geene sehenking, maar voldoet vrijwillig aan eene krachtens de wet op hem rustende verplichting, zoodat daarbij van eene overeenkomst om niet geen sprake kan zijn 74

Art. 1 977 B. W.—Art. «07 Inl. Re«l. (Art. 170 Sv.)— Staatsblad 1889 no. 149.—Terugvordering van gestolen goed. — Conservatoir beslag onder den griffier.

Gestolen goed, door den dief aan eenen derde verkocht en geleverd zijnde, kan door den bestolene niet van dien derde teruggevorderd worden zoolang het door de justitie in beslag genomen is om als overtuigingsstuk in rechten te dienen

Na dat beslag is het onzeker of die derde ooit weder in het feitelijk bezit van het goed zal geraken.

Zoolang het strafgeding niet geheel is geëindigd, kan geen poging aangewend worden tot terugverkrijging van het gestolen goed, dat zich in handen der justitie bevindt.

Eerst nadat het vonnis in kracht van gewijsde gegaan is tot acht dagen daarna, kan volgens art. 307 Inl. Kegl in verband mot Staatsblad 1889 no. 149 beslag gelegd worden op overtuigingsstukken, daar het voor dat tijdstip niet zeker is ten wiens laste het b.slag kan gelegd worden ... 85

Art. 8 sub 1 en 3 Rv. — Naam van den eischer in de dagvaarding. — Nietigheid der dagvaarding. — Belang bij deze exceptie.

Eene dagvaarding uitgebracht in privé en in qualiteit van voogd moet ook den naam en voornaam van den pupil vermelden, opdat de verweerder wete tegen wien hij zich te verdedigen heeft.

Erkent hij te weten wie tegen hem optreedt, dan heeft hij bij