is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat betreft de door geintiraeerde voorgestelde niet ontvankelijkheid van appellants verwering in eersten aanleg en van zijn die verwering omvattende hoofdgrief ten deze,

O. dat geintimeerdes beweren op dit punt in rechten geen gevolg kan hebben ;

dat toch het feit, dat de appellant in eersten aanleg als gedaagde op dezelfde wijze in rechten is verschenen als de geintiraeerde, als eischeresse, die wijze voor de geintiraeerde niet rechtsgeldig kan maken, en de vraag of zij als eischeresse overeenkomstig de wet in rechten is opgetreden, desniettegenstaande, als rakende de openbare orde, aan het oordeel van den rechter, voor wien zij is verschenen, blijft voorbehouden ;

Wat betreft de gegrondheid van appellants hoofdgrief, O. dat bij art. 283 Burgerlijke Rechtsvordering aan de beslissing van den President van den raad van justititie zijn onderworpen zaken, waarin, hetzij krachtens den aard daarvan, hetzij op grond van het belang van partijen, een onverwijlde voorziening wordt vereischt;

O. dat die eisch van een „onverwijlde" voorziening noodzakelijk ten gevolge moet hebben, dat bij de behandeling van deze zaken niet in acht kunnen worden genomen de vormen van procedure, zooals die geregeld zijn voor de behandeling van zaken voor de raden vair justitie, immers bij die behandeling, ook al wordt daarbij de meeste spoed betracht, die de wet toelaat, van geene onmiddellijke of dadelijke voorziening sprake kan zijn;

O. dat dus de wetgever aan den President van den raad van justitie een, als het ware, onmiddellijk effect sorteerende rechtsmacht toekennende, daarmede zonder twijfel een buitengewone wijze van rechtspleging heeft in het leven willen roepen, als eene uitzondering op de gewone;

O. dat hiervan ook overtuigend blijkt uit het bepaalde bij art 285 Burgerlijke Rechtsvordering, immers de wetgever daar terugkeer tot de gewone wijze van rechtspleging beveelt, zoodra, hetzij blijkt, dat een onverwijlde voorziening niet wordt vereischt, en derhalve de grond voor de exceptieve wijze van rechtspleging