is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genaamd Sapia, oud ongeveer 14 jaren, bij haar zoude komen inwonen, om de gebruikelijke verschillende huiselijke werkzaamheden te verrichten en dat zij drie maanden in hare woning zoude blijven, waardoor die schuld van ƒ 10 afgelost zoude zijn ;

dat na afloop van die drie maanden Kaminang nogmaals f 10 van haar geleend heeft op dezelfde voorwaarde;

dat Sapia, na afloop van ongeveer zes maanden in hare woning te hebben vertoefd, is gevlucht, zoodat de schuld, door Kaminang aangegaan, afgelost is geworden;

O. dat de getuigen Kaminang en Songko, ter terechtzitting onder eede gehoord, hebben verklaard, dat Kaminang in 't bijzijn van haren man Songko, op zekeren dag thans ongeveer dertien maanden geleden, ƒ 20 ter leen heeft gevraagd aan beklaagde;

dat beklaagde die som wel wilde leenen en ook gegeven heeft, doch met de voorwaarde, dat het dochtertje van Kaminang, Sapia tenaamd, bij haar haren uitrek moest nemen en huiselijken arbeid verrichten, totdat het geleende geld weder was teruggegeven;

dat zij op diezelfde voorwaarde twee maanden later nog ƒ 10 en twintig dagen later nogmaals f 4 heeft geleend;

dat haar dochtertje Sapia, gedurende twaalf maanden, bij beklaagde heeft gewoond en gewerkt en daarna het huis is ontvlucht, omdat zij geslagen werd;

dat toen Sapia gevlucht was, beklaagde haar een boodschap heeft gezonden, dat Sapia ernstig ziek was;

dat zij, ten huize van beklaagde komende, van beklaagde vernam, dat haar dochtertje gevlucht was, en zij Sapia vond ten huize van zekeren Goeroe Garassie;

dat zij nu nog altijd dat geld aan beklaagde schuldig is; O. dat het meisje Sapia, wegens jeugdigen leeftijd ter terechtzitting buiten eede gehoord, heeft verklaard, dat zij ongeveer een jaar heeft doorgebracht ten huize van beklaagde en daar het dagelijksch huiswerk heeft verricht, zonder daarvoor loon te ontvangen, omdat bare ouders geld van beklaagde geleend