is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PRESIDENT VAN DEN LANDRAAD DER STAD EN VOORSTEDEN VAN BATAVIA,

Gelezen de bij missive van den Assistent-Resident van Batavia dd. 1 November 1889 no. 8268/P toegezonden stukken van het voorloopig onderzoek, gehouden in de zaak van de bovengenoemde verdachten ;

O. dat genoemde lieden er van worden verdacht gehouden, toen in den nacht van Maandag 16 op Dingsdag 17 September 1889, uit een der bewoonde kamers van de kazerne te Passer Senen een kain en slendang, ter waarde van / 25, behoorende aan de inlaudsche vrouw Asia, arglistig waren weggenomen, door dat men een doek, waarmede een der kazerne-vensters was afge" sloten, had opengescheurd en zoo van buiten, op een of andere wijze, tusschen de houten tralies door, de bedoelde goederen naar buiten gebracht; dat zij de aldus weggenomen goederen zouden hebben geheeld, eerste en tweede verdachten door de kleedingstukken in het pandhuis te Matraman, op verzoek van derden verdachte, te verpanden, derde verdachte, door het bewaren der weggenomen voorwerpen, vierde verdachte, door het bewaren van het voor de goederen ontvangen pandbriefje;

O. dat wat eersten verdachte aangaat, uit het voorloopig onderzoek slechts blijkt, dat hij den derden verdachte behulpzaam is geweest om door 2den verdachte de gestolen goederen in een pandhuis, waar hij bekend was (zie de getuigenis van Tan Eng San) te doen verpanden, doch niet dat hij zoude hebben geweten, dat die goederen door misdrijf waren verkregen, al wordt door den getuige P. J. Ochler medegedeeld, dat eerste verdachte, om den tweeden verdachte over te halen zijne tusschenkomst te verleenen, zoude hebben verklaard, dat de bewuste goederen hem toebehoorden, eene omstandigheid door eersten verdachte ten sterkste ontkend;

O. dat van tweeden verdachte ook alleen blijkt van zijne tusschenkomst bij het verpanden der goederen, waarbij op bovenbedoelde getuigenis van E. J. Ochler zoude mogen worden aangenomen, dat verdachte ter goeder trouw d. i. onbewust van