is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden meegevoerd, in den nacht van den 25sten op den 2Gsten September d. a. v. heimelijk van een in gemelde haven, dus binnen drie Engelsehe zeemijlen van Java's kust, zich bevindend klein vaartuig, niet op Europeesche wijz'e getuigd en van minder dan 50 ton hebben geladen en bezeten met de bedoeling die daarna op Java binnen te voeren ;

O. dat door dit feit is overtreden de verbodsbepaling van art. 2 van Staatsblad 1879 no. 224, welke overtreding, in gevolge het eerste lid van art. 9 van laatstgemeld Staatsblad, wordt gelijkgesteld met en gestraft als verboden invoer van opium, waartegen bij art. 23 van Staatsblad 18 74 no. 228 is bedreigd, behalve de verbeurdverklaring der aangehaalde opium, de straf van geldboete van een duizend tot tien duizend gulden voor elke hoeveelheid van 100 katie opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis of dwangarbeid buiten den ketting, de eerste maal voor den tijd van eene maand tot drie jaren en bij herhaling voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren;

Gelet op art. 240/ van het Inlandscli Reglement; t Beschikkende,.

Doet te niet de beschikking van den President van den Landraad der Stad en Voorsteden van Batavia dd. 7 November 1889;

Beveelt de terechtstelling - van de verdachten Jjauw Oe en Go Heng, ter zake voorschreven ;

Gelast hunne onmiddellijke inhechtenisstelling.

Voorzitter van den Landraad te Sidajoe: Mr. J. \V. Zuurdeeg.

Beschikking van 8 November 1889.

Zonder bedriegelijk oogmerk om te benadeelen en de

mogelijkheid van eigen bevoordeeling en benadeeling van derden bestaat geene strafbare valsciiheid.

— Art. 116 Str. Inl.