is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de gratie te gebruiken, integendeel is hij de eerste die geroepen is ze te handhaven.

Graiie is niet recht bedeelen; gratie is een gunst bewijzen, waartoe de bevoegdheid alleen behoort bij de Kroon, bij den Yorst; la plus belle prérogative du tróne, zegt Beccaria zeer correct, want in de oogen zijner onderdanen is die Yorst nog altijd iets meer, vertegenwoordigt iets hoogers, neemt eene andere plaats in de oogen van zijn volk in dan de constitutiën hem aanwijzen. Yoor het volk is de Koning, ook wel degelijk in deze moderne tijden, het sijmbool van almacht en goedertierenheid gebleven, en kan hij vergiffenis schenken aan een schuldigen onderdaan wien recht gedaan werd; kan hij, om de taal des volks te bezigen waarin hun denkbeeld zoo juist wordt weergegeven, genade voor recht laten gelden. — Waarom ook het vreemde woord gratie gebezigd en niet het zuiver nederlandsche woord genade? Ook hierdoor zou eene aanleiding tot verwarring worden vermeden.

Genade schenken is een prerogatief van de Kroon en de drager hiervan of hij die met souverein gezag is bekleed heeft het recht dat prerogatief uit te oefenen, maar de gratie zelve is geen recht en dit onderscheid moet niet uit het oog worden verloren. Reeds de Pinto begreep dat zeer goed een halve eeuw geleden al ontwikkelde hij de stelling niet en bakende hij die niet scherp af

Wanneer men spreekt van het recht van gratie dan bedoelt dit niet dat de gratie een recht is maar wel het recht aan den souverein toekomende om genade te schenken.

De Koning spreekt met recht, herziet niet het vonnis, verklaart een schuldige niet onschuldig; Hij, Koning bij de gratie Gods, schenkt genade en dit prerogatief, aan het koningschap inhaerent is geeerbiedigd ook nadat het moderne staatsrecht baan brak en is, met andere prerogatieven, aan den souvereinen Koning toegekend gebleven in de constitutiën die van het moderne staatsrecht de vruchten waren, zoodat die koninklijke prerogatieven niet meer van het koningschap zelf émaneeren maar, toegekend als ze worden in de constitutie, alléén uit kracht daarvan

L1X. 22