is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1892, 01-01-1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE RAAD VAX JUSTITIE TE MAKASSER,

Gezien de stukken van liet gerechtelijk onderzoek in de zaak van den beklaagde Jan Hoekora, oud 27 jaren, geboren te Ara. boina, zonder beroep, zich bevindende 111 preventieve hechtenis en het in die zaak op den 2lsten Mei 1392 door den. landraad te Koepang tegen den beklaagde uitgesproken vonnis, waarbij deze is schuldig verklaard aan : „diefstal na reeds te voren tot dwangarbeid in den ketting voor den tijd van langer dan een jaar ter zake van misdrijf te zijn veroordeeld geweest; en deswege, behalve in de kosten van het rechtsgeding, veroordeeld tot de straf van dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van zes maanden, met last tot teruggave van de tot stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen aan den eigenaar Ati Baoeng;

Gezien de schriftelijke conclusie f'oor den officier van justitie Mr. W. A. P. F. L. Winckel genomen en gedagteekend 2 Augustus 1392, daartoe strekkende dat de raad van justitie te Makasser, met vernietiging van het vonnis van den landraad te Tiraor dd„ 21 Mei j 1. tegen beklaagde Jan Hoekom gewezen, zal bevelen dat de zaak door denzelfden landraad, echter thans behoorlijk samengesteld, op nieuw zal worden behandeld, te beginnen met de oudste acte, waarin de nietigheid is begaan, zijnde het proces-verbaal der terechtzitting dd. 21 Mei 1892, met veroordeeling van den Lande in de kosten van het rechtsgeding ;

Subsidiair tot bekrachtiging van het vonnis a quo met veroordeeling van den beklaagde in de kosten in revisie gevallen ;

Gehoord het rapport van het raadslid Mr. J. W. ('. Cordes;

O. dat blijkens het proces-verbaal der terechtzitting beklaagde is een Inlandsch Christen, inboorling van Amboina ;

O. dat krachtens art. 13 van het reglement op het, rechtswezen in de residentie Timor (Staatsblad 1882 no 2 6), in geval beklaagde de Mohainedaansche godsdienst niet belijdt, tot het wettelijk houden van den landraad wordt vereischt de tegenwoordigheid van een tot den landaard van beklaagde behoorend