is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weging, kan niet tot vernietiging van liet aangevallen vonnis leiden.

Requirant liet geding aanleggende als Oei Bok Soei, handelaar en beheerder van het merk Hek Ling, eischt in privé en niet in laatstgenoemde kwaliteit. Cassatie aanteokenende moet hij dit dus doen in privé, onverschillig, of niet hij, maar het door hem beheerde merk door het bestreden vonnis is gelaedeerd. . . 37

Staatsblad 1836 no. 19. — Particuliere landerijen bewesten de Tjimanoek.

Moeten onder „particuliere landerijen", op welke het reglement opgenomen in Staatsblad 1836 no. 19 toepasselijk is, alleen worden begrepen die, waarvan uit de betrekkelijke eigendomsacten blijkt, dat zij door of namens de Ilooge Regeering zijn uitgegeven P Neen 186

Staatsblad 1875 no. 199« jcto. artt. 1 en 20 van Staatsblad 1870 no. 118 en art. 27 al. 2. Reg. Regl. — Gouvernementsland. —■ Leen land. — Staatsdomein.

Een tot het grondgebied van Ned. Indië behoorend, buiten Java en Madoera gelegen landschap, in erfelijk leen afgestaan is geen gouvernementsland als bedoeld bij Staatsblad 1875 no. 199a.

Daarin gelegen gronden kunnen mitsdien niet op grond van art. 1 van Staatsblad 1870 no. 118, als Staatsdomein worden beschouwd 231

Niet in eersten aanleg voorgebrachte weren. — Rechtdoen op vermoedens. — Omkeer van bewijslast.

Geen middel van cassatie kan worden gegrond op een weer, die de requirant in eersten aanleg of in hooger beroep had kunnen voorbrengen, doch niet voorgebracht heeft.

De rechtsregel „en fait de meubles possession vaut titre" schept wel, doch is niet een vermoeden ten gunste van den bezitter, zoodat de toepassing van dien regel ook niet is een rechtdoen op vermoedens.

Er heeft geen omkeer van bewijslast plaats als de rechter, ingeval A als lasthebber goederen van B onder zich heeft en er bij hem ten zijnen laste door C beslag wordt gelegd, beslist dat B, als eigenaar tegen dat beslag opkomende, volstaat met het bewijs, dat A als zijn lasthebber voor hem bezit, en op C het bewijs rust, dat A eenige, en zoo ja, welke, der beslagen goederen voor zich zeiven bezit 319