is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar anders altijd, altijd dus wanneer minderjarigen overblijven, en 'n de voogdij over hen of bet beheer over hun vermogen niet is voorzien op andere wijze.

In het algemeen is dit, vergis ik me niet, dan ook het stelsel, dat feitelijk door de boedelkamers wordt toegepast.

Voor een groot deel ligt in 't bovenbehandeld voorschrift dus eene regeling van de voogdij bij vreemde oosterlingen. Echter er blijven tal van vragen over.

Vooreerst deze: wie de voogdij over minderjarigen uitoefent, wanneer de Boedelkamer dit niet doen kan. 1)

Natuurlijk geldt te dien aanzien het bepaalde in art. 7a van het Kegeerings-Reglement, de voogdij moet dan worden beheerscht door de godsdienstige instellingen en gebruiken.

\ oor zoover Chineezen betreit, ' zal de oudste meerderjarige zoon van den eiflater met uitsluiting van alle anderen als voogd moeten optreden (volgens sommige boedelkamers bij gebreke van zoons, de oudste oom van vaderszijde). 2)

Voor zoover Mohamedanen aangaat, zal de vader of grootvader de voogdij moeten uitoefenen en ten slotte zal bij gebreke dezer personen op Java, Madoera en Celebes de Priesterraad een voogd moeten benoemen. 8)

Quaestieus is, van wien de benoeming van zulk een voogd, waar geen priesterraad bestaat, moet uitgaan.

biet ineest rationeel is dat daar de rechter een voogd benoemt. l)e Raad van Justitie te Padang verklaarde zich daartoe dan

1) Wat krachtens liet voorgaande dus ook reeds het geval is, wanneer de erflater enkel een executeur of bewindvoerder, doch geen voogd heeft aangesteld. Immers de boedel is dan niet onbeheerd.

2) Dit is het stelsel ten minste, n. f. van het Collegie van Boedelmeesteren te liatavia. Herhaaldelijk werd echter aan de juistheid van dat stelsel getwijfeld. Beneden kom ik hierop terug.

3) Confer. hierover Mr. L. W. C. van den Berg's opstel over „de afwijkingen van het Mohamedaansche huwelijks — en erfrecht op Java en Madoera" in het Tijdschrift voor taal- land-en volkenkunde XLI (1892) afl. 3.