is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en deze bevoegdheid voorzeker haren grond vindt in de omstandigheid, dat liet bevelschrift een last inhoudt op den bewaarder der acten, welke als Europeaan aan de rechtsmacht van den raad van justitie onderworpen is ;

O. dat blijkens. art. 118 van het Reglement op de Reeh. terlijke Organisatie het rechtsgebied van den raad van justitie te Batavia zich uitstrekt o. a. over de residentie Riouw, de resident van Riouw als bewaarder derhalve zijne woonplaat g heeft binnen het rechtsgebied van dien raad en mitsdien liej verzoekschrift tot afgifte van de bedoelde tweede grossen terecht is gericht aan en het bevelschrift terecht is afgegeven door dien raad, als de rechtbank daartoe uitsluitend bevoegd verklaard komende toch in het Reglement op het rechtswezen in het gewest Riouw geene bepaling voor, waarbij aan die bevoegd, heid word t gederogeerd ;

O. dat de raad van justitie te Batavia bij het bestreden vonnis minder juist op grond van de reeds bij zijne beschikking van 26 Juni 1891 iinplicite aangenomen bevoegdheid, gedaagde met zijn eisc'n exceptioneel, voor zooverre die de strekking heeft, dat de raad zich zal onbevoegd verklaren van het door eischer gedaan verzoek tot uitreiking van tweede grossen kennis te nemen, heeft niet ontvankelijk verklaard, in stede van ook dit gedeelte, overeenkomstig de daarvoor in het vonnis aan. gegeven gronden, te verwerpen, doch overigens terecht, op grond van art. 857 zich bevoegd heeft geacht het uit zijn bevelsciirifj. voortgevloeid geschil te beslissen en mitsdien voor het overige gedeelte de voorgestelde exceptie van onbevoegdheid heeft ver. worpen, en derhalve met verbetering van het vonnis, de exceptie met ontvankelijk verklaring van gedaagde daarmede alsnog ook te dezen aanzien behoort verworpen te worden;

O. ten slotte, dat de raad van justitie terecht heeft aangenomen, dat nog geene uitspraak ten principale kon plaats vinden, maar aan gedaagde de gelegenheid moet worden gegeven de overige exceptien en zijne verweringen ten principale, die hij zich uitdrukkelijk heeft voorbehouden, voor te dragen, immers geintimeerdes bewering dat, aangezien appellant in eersten