is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude grenzen, de regentschappen gevormd, wier hoofden ook nog dikwijls de oude titels dragen. Meerdere dier regen tschappen zijn echter later om hunnen kleinen omvang tot één vereenigd.

Een ander gevolg dier vereeniging van de rechtsmacht met het uitvoerend gezag is dat, waar onder den vorst of heer, doch van hem geheel afhankelijk, hoofden van lageren rang gezag over eene bepaalde streek voeren, zij daar ook de rechtspraak uitoefenen, doch in denzelfden afhankelijken zin, namelijk met een hooger beroep op den vorst.

Van deze verhouding vinden wij in de mededeelingen van Br. Matthes over den vroegeren toestand te Mangkasar een helder voorbeeld. Na den grooten oorlog in 1670 tusschen Wadjo en Boné hadden zich vele Wadjoreezen aldaar gevestigd. Handelaren toch naar den aard hunner natie, was eene opkomende handelsplaats als Mangkasar, waar bovendien onder het Nederlandsch gezag in vergelijking met de toestanden in "Wadjo en Boné eene buitengewone rust en veiligheid heerschten, voor hen eene bizondere geschikte wijkpla ats. Doch, hoewel nu daar op het gebied der O. I. Compagnie gevestigd, bleven zij zich toch steeds als de onderdanen beschouwen van den sedert het sluiten van het Bongaaisch contract in 1667 te Bantoewala in de onmiddelijke nabijheid van Mangkasar verblijf houdenden vorst van Boné, welke veelal ook den titel van vorst van Wadjo droeg, en zich in die beide hoedanigheden ook het gezag toekende over alle de ter genoemde plaats verblijf houdende Boegineezen, aldaar onder den algemeenen naam van Wadjoreezen bekend. Toen zich nu daartoe de behoefte voor hunne volkplanting deed gevoelen, gingen zij er toe over een eigen hoofd (matowa) te kiezen, doch achtten zich verplicht daarop de goedkeuring van den vorst te vragen, welke hunne keuze bekrachtigde en zoo dat hoofd eigenlijk aanstelde. Wanneer zich nu sedert tusschen die Wadjoreezen te Mangkasar geschillen voordeden, weid eerst getracht die in eene algemeene vergadering hij te leggen; doch wanneer dit vruchteloos bleek, daarover recht gesproken door den matowa bijgestaan door zijne raadslieden, en indien de belanghebbenden met die uitspraak geen genoegen namen, brachten zij de zaak