is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De algemeene ontvanger, die bedriegelijk en valachelijk in een door hem als zoodanig afgegeven kwitantie vermeldt, dat de opiumpachter den maandelijkschen pachtschat op zekeren datum na den vervaldag heeft betaald, terwijl de pachtschat inderdaad reeds lang vóór dien datum door hem was ontvangen, zulks met het oogmerk om het ontdekken van een door hem begane verduistering van 's lands gelden te beletten, begaat strafbare valschheid. .97

HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE, (Tweede Kamer).

Artt. 3 jcto. 301 sub lo. (in fine), en 189 Strafw. v. Eur.—Aanmatiging van bedieningen.—Poging tot diefstal.—

Niet strafbare voorbereidende handelingen.

De feiten dat A en B, als aanzienlijke Javanen gekleed, zich doende nadragen een groene pajong met vergulden rand, te Soerakarta erkend als behoorende tot de staatsie van een mantri negara, A zich betitelende 'ndara Beij van Bojolali, B Mas Beij van Kartasoera — op welke pajong en titels zij geen recht hadden, — verder voorgevende als zoodanig van het bestuur last te hebben tot het opsporen van gestolen goederen, die zouden vermeld zijn in een, door hen medegenomen, aan B door den regent van politie te Soerakarta verleende „soerat biwara", huiszoeking hebben gedaan bij den inlander C en dezen hebben gelast hen te volgen en in te pakken en mede te nemen eenige door hen aangewezen voorwerpen van waarde, omtrent welker bezit hij, C, zich zou hebben te verantwoorden; dat C die dat bevel opvolgde en onderweg zelfs de goederen aan hen had overgegeven, te vergeefs hebben trachten over te halen om terug te keeren en gemelde goederen in hun bezit te laten; dat zij te Kartasoera gekomen, toen het te vreezen stond, dat het districtshoofd aldaar met de zaak zou worden in kennis gesteld, zich uit de voeten hebben gemaakt met achterlating der goederen in handen van C, vallen onder het bereik van art. 189 Str. v. Eur., doch leveren geenszins op strafbare poging tot diefstal, als omschreven in art. 301 sub lo. in fine van dat wetboek 101

RAAD VAN JUSTITIE TE BATAVIA.

(Tweede Kamer).

HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE, (Tweede Kamer).

Artt. 21 en 25 van het Reglement op de drukwerken, Staatsblad 1856 no. 74, en artt. 292 en 386 Strafw. v.