is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dienaangaande, dat art. 874 jo. 873 van de Rechtsvordering bepaalt, dat het rekest om prodeo-admissie moet bevatten de voordracht der daadzaken en de summiere opgave van de gronden, in casu, der verdediging des verzoekers;

dat het rekfst alzoo de basis is der te voeren verdedigingen daarvan niet mag worden afgeweken, dan binnen de grenzen door het rekest gesteld en voorzooverre de afwijking daarmede niet in strijd is;

O. dat mitsdien gedaagdes conclusie van antwoord, als ten eenenmale afwijkende van de gronden der verdediging in haar rekest om prodeo-procedure, buiten het geding moet worden gesteld;

voorts:

dat blijkens het ten processe overgelegde testament van den erflater, wijlen den heer A. L. Harmsen, dd. 8 Augustus 1887 no. 6 voor den secretaris der residentie Menado, en als zoodanig fungeerend notaris aldaar, en getuigen verleden, gedaagde, behoudens de inkorting der legitieme door bedoelden Harmsen is benoemd tot zijne universeele erfgename en tevens tot zijne eenige executrice-testamentair en bewindvoerster van zijn boedel met de macht om de geheele nalatenschap gedurende den tijd bij de wet van rechtswege bepaald in bezit te nemen;

dat door eischer is gesteld en door gedaagde niet is tegengesproken en dus tusschen partijen vaststaat, dat gedaagde krachtens genoemd testament, als executrice-testamentair en bewindvoerster in den boedel van bedoelden overledene diens nalatenschap in bezit heeft genomen en daarover beheer heeft gevoerd, zelfs langer dan den bij art. 1007 § 3 B. W. gestelden tijd van een jaar en waarop de tijdsbepaling in het testament doelt;

dat gedaagde in haar qualiteit van executrice-testamentair ingevolge art. 10 14 B. W. jo. 1018 rekenplichtig is aan de belanghebbenden, waaronder de erfgenamen in de eerste plaats behooren;

dat derhalve de erfgenamen van wijlen meertnelden heer Harmsen de bevoegdheid hebben om gedaagde qq. te dwingen tot het doen van rekening en verantwoording, zoo zij in het afleggen daarvan nalatig is (art. 764 Rv.);

dat voorts is gesteld en niet is tegengesproken en dus tusschen