is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEOERLANOSCHE-RECHTSPRAAK.

IIOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van 23 Mei 1893.

Voorzitter: Mr. E. B. Coninck Liefsting. Raadsheeren: Mrs. A. A. de Pinto, A. J. Clant van der Miji.l, B. 11 M. IIanlo, S. M. S. de Ranitz, E. W. Guljé en A. M. van Stipriaan Luïsciüs.

liet proces verhaal op den ambtseed opgemaakt door een openbaar heamhle, aan wien hij eenige bijzondere wet de bevoegdheid lot verbaliseeren is verleend, bezit bewijskracht niet alleen ten aanzien van de misdrijven en overtredingen in die speciale wet genoemd, maar ook „ten aanzien van alle gebeurtenissen en feitelijkheden, die hem in de uitoefening van zijn ambtsverrichtingen persoonlijk bejegenen". (Vgl Léon, R. Slrafv, 2e dl. ad art. 437, sub no. 4).

Het proces-verbaal uit kracht van art. 7 2 der spoorwegwet opgemaakt door een beëedigd beambte of bediende eencr particuliere spoorivegmaalschappij, bezit dezelfde kracht als een verbaal door een openbaar beambte opgemaakt.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Clant van der Mijll, heeft de adv.-gen. Patijn het volgend requisitoir genomen: