is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne dochter Katidjah heeft, geschonken, doch dat hij ze weer bij haar leven heeft teruggenomen, zoodat ze weder zijn eigendom zijn geworden;

dat deze posita duidelijk aantoonen, dat hier niet bestond een geschil over erfrecht of boedelscheiding, maar alleen over eigendom en daaruit voortspruitende rechten, hoedanig geschil naar de termen der reeds aangehaalde wettelijke bepalingen niet staat ter beslissing van den geestelijken, maar van den gewonen en dagelijkschen rechter van den inlander, met name van den landraad;

dat de landraad te Koedoes mitsdien bij zijn vonnis van 7 Maart 189 2 te recht heeft beslist, dat de priesterraad aldaar bij diens aangehaald vonnis uitspraak doende omtrent den eigendom van meergemelde goederen, zijn bevoegdheid overschreed en op grond hiervan en het bepaalde bij art. 7 van Staatsblad 1882 no. 152 de voor den landraad geeischte executoir-verklaring van het vonnis heeft geweigerd en het overige gedeelte van den voor den landraad gedanen eisch als op de gevraagde executoir-verklaring berustende heeft ontzegd, met last tot opheffing van het gelegd conservatoir beslag;

dat uit een en ander volgt, dat de raad van justitie te Semarang door in anderen zin te beslissen art. 78 van bet RegeeringsReglement en de artt. 2 en 3 der Rechterlijke Organisatie heeft geschonden;

O. dat het vonnis van den raad van justitie derhalve behoort te worden vernietigd, en wel in zijn geheel;

O. toch dat het aangevoerde middel van cassatie schijnbaar slechts is gericht tegen de executoir-verklaring van het priesterraadsvonnis, doch inderdaad ook tegen het overige gedeelte van het dictum van 's raads vonnis, hetwelk met die executoir-verklaring onafscheidelijk verband houdt, hebbende requirauten van cassatie dan ook geconcludeerd tot vernietiging van het geheele vonnis;

O. dat thans door het Hof op de hoofdzaak behoort te worden recht gedaan, vermits bij de vroegere behandeling geen rechtspunten of daadzaken onopgelost zijn gebleven, waarvan de beslissing der hoofdzaak afhangt;