is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne huishoudster niet met hem medeging, en zich vervolgens van het station verwijdert en naar den plaatselijken kommandant legeeft om dezen daarover te spreken, valt niet onder hereik van art. 95 Crim. Wetboek maar van art. 10 van het liegll. Krijgstucht.

HET HOOG-MILITAIR-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien het vonnis van een daartoe benoemden krijgsraad te Soerabaja tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde gewezen op den 23sten Juni 1893, waarbij hij, met vrijspraak van het meerdere hem ten laste gelegde, is schuldig verklaard aan „het als minder militair uitdrukkelijk weigeren en opzettelijk nalaten de orders van dengene, die boven hem gesteld is, te gehoorzamen of na te komen, in een andere gelegenheid dan in een affaire tegen den vijand of in een plaats, welke dadelijk belegerd of berend is, onder verzachtende omstandigheden" en deswege veroordeeld tot de straf van militaire detentie voor den tijd van zes maanden en met verwijzing van hem nog in de kosten en misen der justitie, alsmede in die van den processe;

Gelezen den namens den appellant op den lOden Juli 1893 gedienden eisch in appèl, waarbij wordt geconcludeerd tot vernietiging of correctie van het vonnnis a quo cum expensïs;

Nog gelezen de door den geappelleerde R. O. op den I5den Juli 1893 gediende schriftuur van antwoord in appèl, waarbij wordt geconcludeerd dat het Hof, met ontvangst van het appel en vernietiging van het vonnis, waarvan appel, den beklaagde alsnog zal vrijspreken van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, met last dat hij onmiddelijk uit zijn arrest zal worden ontslagen, ten ware hij om andere redenen in arrest behoort te blijven en met veroordeeling van den lande in de kosten der appellatoire instantie;

Gezien de verdere stukken van den processe, zoo ter eerste instantie, als in appèl gediend;