is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden, dat dit stuk zelf het bewijs levert (naar mijn bescheiden meening) van dit gebrek aan een vaste basis bij de berekening van wat tot de kompetentie van den priesterraad behoort. Dit gebrek aan vastheid openbaart zich in tweeërlei opzicht: lo. wat betreft den tijd en 2o. wat betreft de plaats.

ad lam. De geschied- en oudheidkundige beschouwingen van Mr. P. over -den oorsprong van den priesterraad zijn boven mijn lof verheven; maar dit neemt niet weg, dat zijn verhandeling, opklimmende tot den Hindoetijd en argumenten ontleenende aan Daendels en Raffles, ons hoogstens een denkbeeld kan geven van de ontwikkeling der priesterrechtspraak, maar haar steunpunten in te verschillende tijdperken vindt, om ons. eenige zekerheid (die zoeken wij immers?) te verschaffen omtrent hetgeen in één bepaald tijdperk gold omtrent de kompetentie der priesterraden, en het zal toch wel de bedoeling niet zijn een samenstel van aan verschillende tijdperken ontleende bepalingen omtrent de priesterraden tot richtsnoer te nemen.

Dat de door Mr. P. aangegeven regelen van kompetentie elk voor zich, of in hun samenhang, wel eens kunnen hebben gegolden, kan en wil ik niet tegenspreken ; dat zij echter bij het vaststellen van art. 3 R. O. reeds- en nog golden, is wel mogelijk, maar dunkt mij—niet gebleken; evenmin dat zij toen over geheel Java golden.

Hiermee kom ik echter aan het tweede punt.

ad 2um. Java wordt door Mr. P. beschouwd als een geheel, bestaande uit in rechtstoestand gelijke deelen, althans zonder dat is zijn redeneering van geen waarde. Nu meen ik op grond der geschiedenis te' mogen betwijfelen of voor Oost-Java, grootendeels eerst later door Madoereezen bevolkt, voor Cheribon en Bantam, die sinds eeuwen een van de Midden Javaansche vorsten onafhankelijk bestaan hadden, voor de Preanger, waar de invloed der Hindoes zooveel 'geringer was, en voor Batavia wel per se opgaat wat voor Midden-Java is aangetoond. (In het vervolg van dit opstel kom ik hierop terug).

Deelt men met mij dezen twijfel, dan zal men toegeven, dat geen andere dan aardrijkskundige gronden bestaan om juist geheel