is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het moge vreemd klinken, dat ik de „godsdienstige wetten" tot het gewoonterecht reken, ik acht dit toch de ware opvatting.

De godsdienstige wetten (althans die op Java) zijn niet in Indië vastgesteld, daar zelfs niet afgekondigd; ook noemt de wetgever geen bepaalde godsdienstige wetten als geldig of door hem erkend, maar „de godsdienstige wetten der Inlanders", waarmee hij slechts kan bedoelen die — geschreven of ongeschreven — bevelen, door den godsdienst gegeven, welker opvolging het gebruik is der Inlanders, zoodat een erkenning dier wetten er slechts eene is van het gewoonterecht, waarop hun heerschappij berust.

Adat en wet staan dus naast elkaar, maar de eerste wijkt uit den aard der zaak voor de tweede, en geen rechter zou wel op de gedachte komen een door de wet uitdrukkelijk of stilzwijgend opgeheven adat als nog bestaande te erkennen. Door zulk een wettelijke opheffing houdt het gewoonterecht op te bestaan, al kan men er een gewoonte van maken het toch te volgen. In dit geval kan men slechts van gewoonterecht spreken in zoover als onrechtmatig, onwettig recht denkbaar is.

In den zin der wet echter is adat alleen een gewoonterecht, dat op de wet steunt, althans niet door deze is opgeheven en men mag aannemen, dat de wetgever alleen in dien zin de adat bedoelt, wanneer hij spreekt van godsdienstige wetten, oude herkomsten enz., tenzij hij het tegendeel uitdrukt.

In art. 78 R. R had hij dus achter „staan" moeten invoegen „of stonden" en ongetwijfeld moeten doen uitkomen, dat hij ook de wettig afgeschafte oude herkomsten en ook de verouderde bedoelde, waar hij zulk een strekking aan de bepalingen had willen geven; maar die strekking zou, zooals ik reeds betoogde, alles op losse schroeven zetten. Als niet de nog — en wel wettig — bestaande gebruiken werden bedoeld, waar is dan de grens? Op grond waarvan zouden we dan tot maatstaf nemen b v. de tijdens Daendels bestaan hebbende gewoonte en niet die van nog twee eeuwen vroeger ? Dit zou een verschil opleveren slechts in graad-, niet in soort van onaannemelijkheid