is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor geheel N. I. verbindende zijn (art. 78 R. R. uitgezonderd, dat juist, naar de plaatselijke verwijst); dat dus van het eenvoudig verleggen van het centrum slechts sprake kan zijn linnen den kring, door elk stel regelen beheerscht. Zulk een verlegging is volkomen onschuldig; maar brengt men het centrum buiten zijn kring, dan verwijdt men den kring onrechtmatig, of liever men schept kunstmatig een nieuwen kring.

Slechts voor wetten, die geheel N. I. beheerschen, is het centrum van ten uitvoerlegging binnen dat gebied onverschillig; overigens kan van een centrum slechts sprake zijn binnen den bedwongen kring.

Wanneer men dit toestemt en goed in het oog houdt, zal rnen toegeven dat een ander door Mr. P. aangehaald voorbeeld (Pu blz. 359 „Men denke zich" enz.) even weinig opgaat als het vorige; want de militaire rechtspraak is een instelling voor geheel N. I. en dan is het zeker onverschillig waar zij, binnen N. I., wordt uitgeoefend. Maar gegeven eens het geval, dat Mr. P. stelt, en de veroveraars wilden met een beroep op onze vroegere instellingen alle gewapende landsdienaren, dus ook de politiedienaren enz., voor den krijgsraad doen terechtstaan, dan zou dit onrecht zijn, dat met verlegging van centra niets te maken heeft. Al wilden de veroveraars dan op elke hoofdplaats van een gewest of afdeeling een krijgsraad vestigen, dit zou deze krijgsraden nog niet tot bevoegde rechters over onze brave geelvinken promoveeren. Daarvoor zou noodig zijn, dat uitdrukkelijk werd bepaald: de bestaande militay-e wetten zijn toepasselijk op alle gewapende landsdienaren.

En zoo zou ook voor de bevoegdheid van den Priesterraad te Batavia behalve Staatsblad 1882 no. 152 nog noodig zijn deze bepaling: „de Inlanders te Batavia zijn onderworpen aan de rechtspraak van den Priesterraad volgens dezelfde regelen als te dien opzichte gelden op Midden-Java". Deze aan art. 78 R. R. en artt. 1 en 2 R. O. dérogeerende bepaling zou m. i. alleen de wetgever in het moederland mogen vaststellen.

Nemen we nu een derde voorbeeld, door Mr. P. in de evenvermelde noot gegeven: