is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenmin twee vorderingen de eene in privé en de andere in qualiteil, doch is hij alleen opgetreden in privé, subsidiair voorziende in het geval, dat hij als zoodanig geen vorderingsrecht had.

Beslist zijnde, dat hij noch als vertegenwoordigende de Regeering noch in privé of als gesubrogeerde kon vorderen is hij ontvankelijk met zijn appel in privé en is daarbij geen sprake van verandering van den eisch'.

Eischer, in strijd met de wettelijke bepalingen als assistentresident vrije overtocht verleend hebbende, kan waar hij het bedrag daarvan aan de Regeering als vergoeding der aan deze door zijne vergissing veroorzaakte schade heeft voldaan, niet als gesubrogeerde optreden tegen hem, aan wien de vrije overtocht is verleend.

C. M. E. Merens, Assistent-Resident van Banda, Residentie Amboina en wonende te Banda Neira, appellant, comp. bij den adv. en proo. Mr. R. T. Mees, contra

Mr. P. H. F. Junius, gepensionneerd rechterlijk ambtenaar, wonende te Soerabaja, geintimeerde, comp. bij den adv. en proc. Mr. J. Gerritzen.

HET HOOG-GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gehoord partijen ;

Gezien de stukken ;

Ten aanzien der feiten :

Overnemende de uiteenzetting daarvan, vervat in het vonnis van den raad van justitie te Soerabaja ddo. 19 October 1892, waarvan appel, waarbij de eischer niet ontvankelijk is verklaard met de door hem ingestelde vordering en veroordeeld in de kosten van het rechtsgeding;

En wijders:

O. dat de verliezende partij, zich met dit vonnis bezwaard achtende, daarvan binnen den wettelijken termijn is gekomen in liooger beroep en na uiteenzetting harer grieven daartegen bij conclusie van eisch in appel heeft geconcludeerd, dat het den Iiove behage, met ontvangst van het appel, te niet te doen