is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat appellant, korten tijd vóór dat de dagvaarding in eersten aanleg is afgegaan, met de Inlandsche vrouw Sanimali vleesckelijke gemeenschap heeft gehad";

Draagt dit getuigenverhoor op aan den raad van justitie te Soerabaja, tot wien de meest gereede partij zich zal hebben te wenden tot bepaling van dag, plaats en uur;

Reserveert de uitspraak omtrent de kosten.

CASSATIE.

HOOG GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE, (Eerste Kamer).

Zitting van 12 October 1893.

Voorzitter: Mr. J. Sibeniüs Trip.

Raadsheeren: Mrs. W. C. Veenstra , G. H. Lowe , H. van Dissel Szn. en D. H. van Gelder.

l)e beslissing, dat het recht om de onderwerpelhjke vordering in te stellen vijf jaar vóór de introductieve dagvaarding is geboren, is van feitelijken aard en mitsdien in cassatie onaantastbaar.

Djina alias Ning bintie Entjie Keling Baleh, weduwe eerst van Hadji Achmad Sahaboedin, laatstelijk van Hadji Saroedin, wonende in de kampong 9 Oeloe ter hoofdplaatse Palembang, roquirante van cassatie, contra

Secb Abdullah bin Said Baladjam, wonende in dezelfde kampong, gereq uireerde in voorschreven cas.

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gelezen het door den landraad te Palembang op den 12den Juni 1893 tusschen de requirante als eischeres en den gere* quireerde als gedaagde, gewezen vonnis, waarbij met admissie LXI. 23