is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1893, 01-01-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat dus moet worden aangenomen, dat in het stelsel der wet degene die, na vermist te zijn wordt afgevoerd, zijn militair karakter niet verliest en tot het leger blijft behooren, zoodat de maatregel der afvoering slechts is van zuiver adminis. tratieven aard;

O. dat mitsdien, toen beklaagde het misdrijf pleegde waarvan hij thans beschuldigd is, hij was militair en hij mitsdien volgens art. 1 C. W. voor den militairen rechter behoort te worden terechtgesteld, zoodat deze krijgsraad bevoegd is over hem recht te spreken;

O. dat daartegen niet obsteert het feit, dat niet door over. legging van een krijgswetfenblad is kunnen worden bewezen t dat de krijgsartikelen in 1874 aan beklaagde zijn voorgelezen, daar uit de geschiede inschrijving van beklaagde op het stamboek blijkt, dat die voorlezing heeft plaats gehad;

Ten principale:

O. dat enz.;

Gelet op de artt. 1 en 206 sqq. van het Reglement op de Rechtspleging bij de landmacht op artt. 300, 3e van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders, artt. 1, 2 en 12 van het Koninlijk Besluit van 19 December 1889 no. 35 (Staatsblad 1890 no. 58) en op de aangehaalde artikelen;

Rechtdoende :

In Naam en van wege de Koningin!

Verklaart den in hoofde dezes genoemden beklaagde Si Ranto, algemeen stamboeknummer 87711 schuldig aan diefstal met geweld op den openbaren weg;

Veroordeelt hem enz.

HET IIOOG-MILITAIR-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gezien het vonnis van eenen daartoe benoemden krijgsraad te Padang tegen den in hoofde dezer genoemden beklaagde gewezen en uitgesproken op den llden October 1893, waarbij hij is schuldig verklaard aan: „diefstal met geweld op den openbaren