is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat dit, met het oog op het groote aantal van die strafzaken en de vele andere werkzaamheden van de griffiers ook in civiele zaken en de beperkte hulpmiddelen, welke hun in den regel ten dienste staan, in vele gevallen niet doenlijk zal zijn, is gemakkelijk te begrijpen.

Nu is het wel mogelijk, dat het Hoog Gerechtshof in deze wel eenigszins rekening zal houden met de omstandigheden, doch het is ook zeer wel mogelijk, dat dit opperrechterlijk college zich laat beheerschen door de gedachte dat de wettelijke bepalingen er zijn om te worden nageleefd, en dat de rechter slechts de wet heeft toe te passen zonder de billijkheid daarvan te beoordeelen.

Doch waartoe dan zulke verscherpte voorschriften, welke in de meeste gevallen toch onmogelijk kunnen worden nagekomen, in het leven geroepen ?

Wat eindelijk den aard der door de Landraden te Medan en Bindjei te berechten misdrijven en overtredingen betreft, is mij gebleken, dat deze meerendeels overeenkwamen met die, welke ik op Madoera te berechten had, behoudens dat ter Sumatra's Oostkust nog al eens valschheid in geschrift, het namaken en in omloop brengen van valsclie munten, zoowel vreemde als Inlaadsche, en dergelijke voorkwamen.

In civiele zaken gaf de nabijheid der Engelsche Straits wel eens aanleiding, dat de Landraad niet altijd even gemakkelijk op te lossen kwesties van internationaal recht had te beslissen. En daar ook het bankwezen ter Sumatra's Oostkust vrij ontwikkeld was en een niet onbelangrijke rol speelde, ontstonden hier ook allerlei kwesties van wisselrechterlijken aard, waarin niet steeds directelijk bij ons Wetboek van Koophandel was voorzien. Zoo circuleerde hier vrij algemeen handelspapier, hetwelk luidde; „aan toonder (bearer) of order".

Zoo gaf voorts het reeds boven door mij gereleveerde feit, dat Stbl. 1855 no. 79, houdende toepasselijk verklaring van een groot deel van het Europeesche Burgerlijk en handelsrecht op de Vreemde Oosterlingen, niet op dc residentie Oostkust van Sumatra toepasselijk was verklaard, aanleiding tot de vraag, of de vele alhier bestaande Chineesche kedehs wel als rechtspersonen

LXII. 2