is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1894, 01-01-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terstallige huurpenningen niet heeft voldaan, daarom deswege in verzuim gesteld en daarop gedagvaard is, zoodat de kwitantie, waarop appellant zich beroept, en welke alleen vermeldt dat op denzelfden dag als — maar niet vóór — de dagvaarding en wel ingevolge — maar niet onmiddellijk bij de sommatie is betaald, aan de in de deurwaardersacte geconstateerde feiten geen afbreuk kan doen;

hebbende eindelijk de aan den deurwaarder verleende volmacht tot de ontvangst der huurpenningen, blijkens hare bewoordingen, niet eene uitgebreide maar eene zeer beperkte strekking, en wel tot eene enkele daad en dat is tot de ontvangst der huurpenningen, indien de betaling daarvan plaats beeft onmiddellijk bij de sommatie, zoodat de deurwaarder door de in ontvangstname op ieder ander tijdstip buiten de perken van zijnen last is gegaan en de lastgeefster door die handeling niet kan zijn gebonden ;

O. dat appellant nog beeft gesteld, dat in elk geval de f 30, welke door den deurwaarder blijkens zijne kwitantie van appellant zijn ontvangen, door dien deurwaarder aan geïntimeerde zijn afgedragen, en door deze zonder eenig protest zijn ontvangen ;

O, dat, indien dit beweren juist is en de ontvangst geschied is vóór den dag, dat appellant in rechten moest verschijnen namelijk den 28sten October 1892, daaruit zonder twijfel zoude volgen, dat de geintimeerde in de betaling der achterstallige huurpenningen dat is in de tardieve nakoming der huurovereenkomst heeft berust, zoodat in dat geval hare vordering tot ontbinding der overeenkomst, met de gevolgen daarvan op grond van niet nakoming dier overeenkomst, haar niet meer zou toekomen;

O. dat aangezien appellant aangeboden heeft bovenbedoelde daadzaak, welke naar 's Hofs oordeel eenigzius aangevuld, ter zake dienende is en tot de beslissing der zaak kan leiden, door getuigen te bewijzen, dat getuigenverhoor moet worden toegestaan, en in casu opgedragen aan het hoofd van plaatselijk bestuur te Soekaboemi, alwaar de te hooren getuigen wonen;

Gelet op de artt. 171, 190 en volgende en 339 van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering;